Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Spanje verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met een gerelateerde zaak op 19 mei 2026 behandeld, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet zijn verschenen.
De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep in de gerelateerde zaak, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, en is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.