Verzoekers hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 2 oktober 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond, met oplegging van terugkeerbesluiten. Hiertegen zijn beroepen ingesteld en is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Op 21 januari 2026 vond de zitting plaats waarbij verzoekers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De voorzieningenrechter heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan over de hoofdberoepen en geoordeeld dat voorlopige voorzieningen niet langer noodzakelijk zijn.
Daarom zijn de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Wel is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers, vastgesteld op € 934,-, vanwege de samenhang met de hoofdberoepen en reeds toegekende punten in die zaken.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter N. van Luijk en is openbaar gemaakt op 28 januari 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.