Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13518

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL26.8384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Nigeriaanse asielzoeker wegens gebrek aan nieuwe feiten

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 15 januari 2026 een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag op 9 februari 2026 niet-ontvankelijk omdat eiser geen nieuwe elementen had aangevoerd die relevant waren voor de beoordeling van de aanvraag.

Eiser stelde in beroep dat er wel nieuwe feiten waren, waaronder zijn bekering tot het christendom en bedreigingen, en voerde meerdere beroepsgronden aan zoals het ontbreken van gerichte vragen over zijn afvalligheid, zijn slechte gezondheidstoestand tijdens het gehoor, het ontbreken van een tolk in zijn moedertaal en onzorgvuldigheid bij het besluitvormingsproces.

De rechtbank oordeelde dat deze gronden niet slaagden. Er was wel degelijk naar zijn bekering gevraagd, er was geen bewijs van hevige stress die zijn verhoor belemmerde, het gebruik van een tolk was niet noodzakelijk geacht en het besluit was weliswaar prematuur genomen maar dit had eiser niet geschaad. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.8384
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1966, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 15 januari 2026 een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard [1] .
1.1.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is op 19 januari 2026 naar Nigeria uitgezet. Eisers gemachtigde is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

2. De rechtbank legt hieronder uit waarom eiser geen gelijk krijgt.
3. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant zijn bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag. [2] Volgens verweerder is hetgeen eiser in deze procedure heeft aangevoerd niet nieuw. Eisers afvalligheid, de bekering tot het Christendom en de bedreigingen zijn al beoordeeld in de vorige procedure en zijn daarom niet nieuw. Eiser stelt in het bezit te zijn van nieuwe stukken maar heeft deze tot op heden niet overgelegd. Verder heeft eiser verklaard in het opvolgende gehoor dat hij al jaren in het bezit is van deze stukken. Dat eiser deze stukken nog steeds niet heeft overgelegd komt voor zijn rekening.
4. Eiser heeft in beroep een aantal beroepsgronden aangevoerd. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder geen gerichte vragen heeft gesteld over eisers afvalligheid tijdens het opvolgende gehoor. Ten tweede voert eiser aan dat hij ten tijde van het opvolgende gehoor niet in goeden doen was. Eiser werd plotseling in vreemdelingenbewaring gesteld en hij had te kampen met hevige stress en was niet in staat zijn gedachten op heldere wijze te verwoorden. Ten derde betoogt eiser dat verweerder ten onrechte tijdens het opvolgende gehoor geen gebruik heeft gemaakt van een tolk in het Nigeriaans pidgin-Engels. Dat is eisers moedertaal en de taal die hij het beste beheerst. Tot slot betoogt eiser dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu het bestreden besluit is genomen voordat de periode om een zienswijze in te dienen was verstreken.
5. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet nader onderbouwd waarom verweerder gerichte vragen over de afvalligheid behoorde te stellen, nu er in het opvolgende gehoor wel is gevraagd naar zijn bekering tot het christendom. De eerste beroepsgrond faalt.
7. De rechtbank vat de tweede beroepsgrond van eiser op als dat hij niet in staat was om gehoord te worden en dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het gehoor toch door te zetten. De rechtbank is van oordeel dat het opvolgende gehoor van eiser niet onverwachts kwam. Met eiser zijn voorafgaand aan het indienen van de asielaanvraag meerdere gesprekken gevoerd met DT&V in het kader van zijn terugkeer. Naar het oordeel van de rechtbank is verder uit het rapport van het nader gehoor niet gebleken van hevige stress en heeft eiser ook niet nader onderbouwd dat hij last had van hevige stress waardoor hij niet in staat was zijn gedachten helder te verwoorden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Ten aanzien van de derde beroepsgrond volgt de rechtbank verweerder dat er noodzaak was om het opvolgende gehoor op korte termijn te laten plaatsvinden gelet op de ingediende asielaanvraag vlak voor de al georganiseerde vlucht. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet uit het gehoor gebleken dat er geen gesprek mogelijk was of dat eisers verklaringen in het opvolgende gehoor verkeerd zijn vertaald. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Tot slot heeft verweerder in het verweerschrift ook erkend dat de beschikking is genomen op de dag waarop nog een zienswijze had kunnen worden ingediend. Dat de beschikking prematuur is genomen wordt dan ook niet betwist. De rechtbank is het echter met verweerder eens dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft dit niet nader onderbouwd en hij heeft in beroep ook de mogelijkheid gehad om zijn standpunten naar voren te brengen.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.