Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 1 oktober 2025 en had zes maanden om te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister tijdig in gebreke op 13 april 2026 en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister moet binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,- vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.