ECLI:NL:RBDHA:2026:1350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL25.11621
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Venezolaanse eiser wegens onvoldoende onderbouwing van vervolgingsrisico

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Venezolaanse eiser behandeld. De eiser heeft op 29 oktober 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 27 februari 2025 als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft op 14 januari 2026 de zaak behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigden aanwezig waren. De eiser stelt dat hij in 2017 heeft deelgenomen aan demonstraties tegen de regering van Maduro en dat hij bedreigd en ontvoerd is door de Tupamaros. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van de eiser en de geloofwaardigheid van zijn verklaringen in twijfel trekt. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de verklaringen van de eiser inconsistent en niet samenhangend zijn, en dat er geen reëel risico op vervolging bij terugkeer naar Venezuela bestaat. De rechtbank verklaart het beroep van de eiser ongegrond en wijst de proceskosten af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11621

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag, samengevat, ten grondslag dat hij in mei en juni 2017 heeft deelgenomen aan demonstraties en wegversperringen die gericht waren tegen de regering van Maduro. Eiser is eind mei 2017 bedreigd door de Tupamaros en is op 17 juni 2017 door hen ontvoerd. Tijdens deze ontvoering is eiser mishandeld en bedreigd met de dood. Daarna is eiser vanaf eind juli 2017 afgeperst voor 100 dollar per maand. Eiser heeft dit bedrag betaald tot aan zijn afstuderen eind maart 2018. Daarna heeft eiser Venezuela verlaten en is hij naar Colombia gegaan. Bij terugkeer naar Venezuela vreest eiser dat de Tupamaros hem zullen vermoorden vanwege het stoppen van de betalingen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Politieke overtuiging en deelname aan manifestaties;
3. Problemen vanwege deelname aan manifestaties.
De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, evenals zijn politieke overtuiging en deelname aan manifestaties. De problemen vanwege deze deelname aan manifestaties zijn volgens de minister niet geloofwaardig.
Referentiekader
5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Eiser heeft echter ernstige depressieve klachten en traumaklachten, hetgeen van grote invloed is op zijn vermogen consistent, coherent en volledig te verklaren. Dit klemt nu eiser door zijn klachten weinig slaapt en zich moeilijk kan concentreren. Daar komt zijn introverte karakter nog bovenop. Bij dergelijke omstandigheden kan de minister dit niet ondervangen door bij de inleiding van het gehoor aan te geven dat eiser het kan aangeven als er behoefte is aan een pauze, door (al dan niet extra) te pauzeren tijdens het gehoor of door te vragen hoe het gaat met iemand. Voorts stelt de minister ten onrechte dat met voorgaande geen rekening hoeft te worden houden, omdat de stelplicht betreffende het relaas in beginsel bij eiser ligt.
5.1.
De minister stelt dat er - gelet op het advies van MediFirst van12 april 2024, geen sprake is van een beperking ten aanzien van het verklaren. De minister verwijst naar rechtspraak waaruit volgt dat hij mag uitgaan van deze rapportage. Daar komt volgens de minister bij dat eiser de juistheid van deze rapportage niet heeft betwist, noch heeft onderbouwd hoe een ander referentiekader tot een andere beoordeling had geleid. Niet is gebleken dat verweerder niet heeft doorgevraagd, de verkeerde vragen heeft gesteld of dat het gehoor onzorgvuldig is geweest. De minister stelt te hebben voldaan aan de samenwerkingsplicht en de verplichting het besluit zorgvuldig en deugdelijk te motiveren.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het kenbaar betrekken van het referentiekader allereerst vereist dat de minister het referentiekader van de vreemdeling in de besluitvorming beschrijft. Verder behelst het kenbaar betrekken van het referentiekader dat de minister motiveert op welke wijze het beschreven referentiekader van invloed is op het oordeel over hetgeen van de betreffende vreemdeling in zijn algemeenheid verlangd mag worden ter onderbouwing van zijn asielrelaas en op welke wijze de verschillende aspecten uit het referentiekader zijn betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister bij de besluitvorming heeft betrokken dat eiser heeft gestudeerd aan de universiteit en de opleidingen lichamelijke oefening en mathematica heeft afgerond. Uit het medisch advies blijkt niet dat er beperkingen zijn voor het horen en beslissen. Eiser heeft medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser recent nog onder behandeling stond voor angst en depressie en/of dit momenteel nog steeds staat. Ook wordt erkend dat het voor eiser moeilijk is om exacte data te benoemen maar dat desalniettemin van hem verwacht wordt dat hij grotendeels consistent en gedetailleerd verklaart. Eiser is immers nog niet van middelbare leeftijd en heeft aan de universiteit gestudeerd. Ook is er rekening gehouden met eiser zijn mentale welzijn zodat hij in staat zou moeten zijn goed te kunnen verklaren. Zo heeft eiser bijvoorbeeld gebruikt gemaakt van pauzes die hem zijn aangeboden wanneer hij een moment voor zichzelf nodig had. Dit neemt voor de minister echter niet weg dat een zekere mate van consistentie en detail wordt verwacht. Daar komt bij dat eiser meermaals is geconfronteerd met zijn inconsistente verklaringen en de mogelijkheid heeft gehad om deze te weerleggen, maar daar volgens de minister niet in is geslaagd.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende en kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eiser niet concreet maakt op welke wijze onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser of hoe dit de besluitvorming heeft beïnvloed. Voorts overweegt de rechtbank dat tijdens de gehoren meermaals is gecontroleerd of eiseres de vragen begreep en dat op bepaalde aspecten is doorgevraagd of om verduidelijking is gevraagd. Ook is gevraagd of eiser zich lichamelijk en geestelijk in staat voelde om de gehoren af te nemen en zijn er pauzes genomen met het oog op het welzijn van eiser. Uit de gehoren komt niet naar voren dat eiser de vragen niet begrepen heeft en niet is gebleken dat van eiser in zijn antwoorden een diepgang is gevraagd die gezien zijn referentiekader of mentale gesteldheid niet van hem verwacht kon worden. De rechtbank is bovendien niet gebleken van verschonende omstandigheden; het hebben van een introvert karakter - als daar al sprake van is - is in deze context onvoldoende. Ook overweegt de rechtbank dat MediFirst heeft aangegeven dat er geen medische belemmeringen waren voor het horen van eiseres en de minister mocht daarom uitgaan van de verklaringen die eiseres tijdens het nader gehoor heeft afgelegd.
Aangifte en het medisch forensisch document (artikel 31, zesde lid, sub b, Vw)
6. Eiser is daarnaast van mening dat de aangifte en het medisch forensisch document ten onrechte niks veranderen aan het besluit van de minister. Uit de aangifte volgt immers dat eiser reeds na de gebeurtenis aangifte heeft gedaan en niet pas recent, ten behoeve van zijn asielaanvraag hier. Bovendien komen de verklaringen van eiser, alsmede zijn verwondingen, in detail overeen met hetgeen hij in zijn asielrelaas naar voren heeft gebracht. Eiser heeft daarmee zijn asielrelaas vergaand onderbouwd en aannemelijk gemaakt en niet valt in te zien waarom hij jaren geleden een valse aangifte zou doen. Hier is ook geen enkele indicatie voor. Ditzelfde geldt voor de medische rapportage behorend bij de aangifte. Eiser stelt dat er geen enkele aanwijzing is dat deze verwondingen op een andere wijze zouden zijn ontstaan, zoals de minister suggereert. Volgens eiser kan het FMO worden betrokken bij de al eerder ingediende bewijsstukken, waardoor het wel degelijk van belang kan zijn.
6.1.
De minister meent dat de overgelegde documenten gelet op het afgegeven neutrale advies, inhoudelijk gezien betrokken moeten worden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling maar dat de documenten het betreffende asielmotief niet ondersteunen. De aangifte is immers enkel een weergave van de eigen verklaringen van eiser en uit de medische verklaring blijkt niet dat eiser gewond is geraakt bij de ontvoering waarover hij verklaart. Om deze reden wordt er niet de waarde aan de documenten gehecht die eiser wenst te zien. Ten aanzien het FMO wordt overwogen dat deze alleen uitkomst biedt wanneer er twijfel is over de geloofwaardigheid van het relaas en een dergelijk onderzoek van doorslaggevend belang kan zijn. Dit is in het geval van eiser niet het geval.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht concludeert dat de aangifte en de medische verklaring het asielrelaas van eiser niet kunnen onderbouwen. De aangifte is geen objectief document. Geen positief advies kon worden afgegeven over de echtheid van de aangifte en deze kan daarom enkel dienen als steunbewijs. Voor de medische verklaring die onderdeel uitmaakt van de aangifte, geldt hetzelfde. Daarnaast blijkt uit de medische verklaring niet dat de verwondingen die eiser heeft opgelopen het gevolg zijn van de ontvoering waarover hij verklaart. De minister heeft daarbij kunnen concluderen dat geen FMO hoeft worden opgestart; een FMO kan alleen uitkomst bieden wanneer er twijfel is over de geloofwaardigheid van het relaas en een dergelijk onderzoek van doorslaggevend belang kan zijn. De rechtbank legt hieronder uit waarom dat niet het geval is.
Heeft de minister kunnen concluderen dat het relaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt?
7. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de minister ten onrechte stelt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe voert eiser aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen over contact met Tupamaros leden vaag en inconsistent zijn, dat zijn verklaringen over medestudenten wisselvallig en tegenstrijdig zijn en dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de ontvoering.
Verklaringen over persoonlijke contact met Tupamaros leden
7.1.
Eiser stelt dat hem wordt tegengeworpen dat hij niet honderd procent zeker weet of er een infiltrant van de Tupamaros betrokken was bij het groepje waar eiser mee demonstreerde. Verweerder concludeert daaruit dat dit slechts een vermoeden betreft en dat dit afbreuk doet aan het asielrelaas. Onduidelijk is volgens eiser echter waarom dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Het doet niets af aan de problemen en de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan. Niet valt voorts in te zien wat voor documenten of correspondentie dit vermoeden zouden kunnen staven daar de Tupamaros hiervan geen bewijsmiddelen zullen verstrekken en een en ander ook niet op andere wijze bevestigd kan worden. Voorts is eiser van mening dat ten onrechte aan hem wordt tegengeworpen dat hij zijn verklaring betreffende de jongen op de universiteit die naast hem kwam zitten pas later ‘aanvult.’ Ten onrechte wordt hem tegengeworpen dat hij niet reeds in zijn vrije relaas heeft genoemd dat de jongen een wapen had en dat eiser wist dat het ging om een Tupamaros omdat hij wegreed op een motor. Eiser kan echter onmogelijk weten welke details verweerder in het vrije asielrelaas wel of niet wenst te horen. Er is benadrukt dat hij in zijn eigen woorden diende te vertellen wat de directe redenen van zijn vertrek waren en eiser heeft getracht dit zo duidelijk en bondig mogelijk te vertellen in chronologische volgorde.
7.2.
De minister volgt het standpunt van eiser - dat het geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid dat hij niet weet of er daadwerkelijk een infiltrant van de Tupamaros betrokken was bij de groep demonstranten - niet. Dat een infiltrant aanwezig zou zijn geweest berust op een vermoeden. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat daadwerkelijk sprake is geweest van een infiltrant binnen de groep. Het is aan eiser om zijn asielrelaas te onderbouwen. Eiser is daar volgens de minister in dit geval niet in geslaagd. De minister stelt dat er verwacht mag worden dat een dergelijk incident met een wapen dusdanig indruk op eiser heeft gemaakt dat hij direct ter sprake brengt dat hij een wapen heeft gezien en uitlegt waarom hij dacht met een Tupamaros lid te maken te hebben, niet pas wanneer er specifiek naar het incident wordt gevraagd. De intimidatie en bedreigingen de Tupamaros maken immers deel uit van de kern van zijn asielrelaas. De stelplicht betreffende het asielrelaas ligt in beginsel bij eiser en van hem mag verwacht worden relevante gebeurtenissen voor zijn asielrelaas te benoemen en hier persoonlijk en specifiek over te verklaren. Hierin is eiser volgens de minister niet geslaagd.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming overweegt dat de stelling van eiser dat er een infiltrant van de Tupamaros in zijn groep was, enkel een vermoeden is. De minister stelt dan ook niet ten onrechte dat niet ingezien wordt waarom eisers vermoeden in zijn voordeel zou moeten meewegen, nu dit vermoeden niet is onderbouwd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet direct heeft verklaard over het wapen en de motor van de Tupamaros. Deze punten raken de kern van het relaas van eiser en vormen de essentie van zijn asielaanvraag. Niet valt in te zien waarom eiser dit niet zo spoedig mogelijk naar voren brengt en de minister heeft dit als zodanig aan eiser kunnen tegenwerpen. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn persoonlijke contact met Tupamaros leden vaag en inconsistent zijn. De minister heeft dit in het kader van artikel 31, zesde lid en onder c van de Vw dan ook kunnen meewegen.
Verklaringen over medestudenten
8. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen tegenstrijdig te hebben verklaard over zijn medestudenten. Wat betreft de gestelde tegenstrijdigheid in de namen van andere mensen die onderdeel van de groep uitmaakten, wordt benadrukt dat eiser met het merendeel slechts een korte periode optrok ten behoeve van de manifestaties. Er zijn een aantal waar hij wel bevriend mee was en die heeft eiser ook benoemd. In die context bezien is het niet gek dat eiser zich vergist heeft in een naam en niet álle namen kan benoemen. Eiser weet van degene die vermoord is in de schuur de naam niet zeker en haalt namen door elkaar. Over de identiteit of namen is niet tegenstrijdig verklaard. Daarnaast dient er rekening mee te worden gehouden dat er sprake is van tijdsverloop en dat eiser het psychisch zwaar te verduren heeft wegens de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en gezien.
8.1.
De minister stelt dat eiser eerst heeft verklaard dat de moord van [naam 2] plaatsvond in juni 2017 [2] en vervolgens verklaard heeft dat [naam 2] is vermoord augustus 2017. [3] Overwogen wordt dat eiser hiermee tegenstrijdig verklaart over het moment waarop [naam 2] zou zijn vermoord en de omstandigheden waaronder dit gebeurde. Ook heeft eiser verklaard dat enkel hij en [naam 3] de 100 dollar per maand betaalden [4] , hetgeen haaks staat op de verklaring van eiser dat naast [naam 2] ook [naam 3] zou zijn vermoord omdat hij in juli niet betaald had. [5] Dat [naam 3] is opgehouden met betalen wordt door de minister niet gevolgd, nu eiser heeft verklaard dat de ontvoerders hadden aangegeven dat eind juli moest worden begonnen met betalen. [6] Er kan dus geen sprake zijn geweest van ‘ophouden’ met betalen. Ook verklaart eiser de ene keer dat [naam 2] in de schuur is vermoord en vervolgens verklaart eiser dat [naam 2] samen met [naam 3] is vermoord. Hierna verklaart eiser dat [naam 2] samen met [naam 3] is vermoord en dat een andere student in de schuur is vermoord. [7] Op een gegeven moment verklaart eiser zelfs dat [naam 2] misschien de persoon was die naar Peru is gegaan. [8] Hier komt eiser vervolgens weer op terug wanneer hij verklaart zeker te weten dat [naam 2] in de schuur is vermoord. [9]
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser eerst heeft verklaard dat de moord van [naam 2] plaatsvond in juni 2017 [10] en vervolgens verklaard heeft dat [naam 2] is vermoord augustus 2017. [11] Deze uitspraken zijn niet met elkaar verenigbaar en daarmee is er sprake van een tegenstrijdigheid. Hetzelfde geldt voor de opmerkingen van eiser ten aanzien van de dood van [naam 3]; dat hij is vermoord omdat hij is gestopt met betalen is tegenstrijdig met de eerdere verklaring van eiser dat enkel [naam 3] en hij betaalden. Ook de andere verklaringen over [naam 2] staan haaks op elkaar; het is niet mogelijk zeker te weten dat hij degene was die in de schuur vermoord is en tegelijkertijd te overwegen dat [naam 2] wellicht degene is die naar Peru gegaan is of dat het wellicht een andere student was die in de schuur is vermoord. De verklaring van eiser dat hij met het merendeel van de anderen slechts een korte periode optrok en dat dit geen hechte vrienden waren, is onvoldoende om deze tegenstrijdigheid weg te nemen, te meer nu eiser juist van [naam 2] aangeeft dat dit een ‘echte vriend’ van hem was. [12] Er is daarmee sprake van meerdere tegenstrijdigheden en de minister heeft eiser dit als dusdanig kunnen tegenwerpen. In zoverre eiser stelt dat dit niet kan worden tegengeworpen gezien zijn psychische toestand, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar r.o. 5.4.
8.3.
Voorts meent eiser dat de verklaringen in de correcties en aanvullingen niet haaks op de verklaringen van eiser staan. Er is een naam gecorrigeerd en een en ander is verduidelijkt. Het gaat niet om een totaal nieuwe verklaring of andere woordgroep waardoor niet aannemelijk is dat er sprake is van een misslag in het gehoor. Wat betreft de stelling van de minister dat aangetoond of gemotiveerd moet worden in de correcties en aanvullingen waarom het woord vriendengroep verkeerd in het verslag is terechtgekomen, wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling). [13] Het is bovendien lastig nagaan waar dit exact verkeerd is gegaan, laat staan aan te tonen. Dit klemt nu de uitleg van het begrip vriend of vrienden onder meer afhangt van de culturele context, alsmede overige omstandigheden.
8.4.
De minister stelt dat eiser de verklaring dat [naam 2] een echte vriend was zonder enige context in de correcties en aanvullingen rectificeert, [14] waarbij eiser aangeeft dat [naam 3] een vriend van hem was en dat eiser van die ‘andere’ de naam niet weet. Er mag van eiser verwacht worden dat hij kan onderbouwen waarom de oorspronkelijke verklaring niet juist was. Nu eiser dit niet heeft gedaan, worden de correcties en aanvullingen op dit punt niet gevolgd. Daarbij komt dat de rectificatie alsnog haaks staat op hetgeen eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard over [naam 4] en [naam 5] en hoe zij zijn echte vrienden waren en de anderen, waaronder [naam 3], klasgenoten van wie hij de namen minder goed kende. [15] Opgemerkt wordt dat in het voornemen niet staat dat eiser zou moeten aantonen of motiveren waarom het woord vriendengroep verkeerd in het verslag terecht is gekomen.
8.5.
De rechtbank overweegt dat de verklaring dat [naam 2] een echte vriend is en de verklaring dat eiser van die ‘andere’ de naam niet weet haaks op elkaar staan. In dat licht bezien mag de minister een onderbouwing verwachten waarbij eiser aangeeft waarom de oorspronkelijke verklaring onjuist was. Het gaat immers niet om, bijvoorbeeld, een verschil in uitleg van het begrip ‘vrienden’, zoals eiser betaamt, maar om dusdanig tegenstrijdige uitlatingen dat die zich niet laten verklaren door miscommunicaties met tolken of door verschillen in cultuur. De minister heeft de tegenstrijdigheid niet zonder meer hoeven overnemen en heeft eiser kunnen tegenwerpen meerdere keren wisselvallig en tegenstrijdig over de identiteit van zijn vrienden te hebben verklaard. De verwijzing van eiser naar de Afdelingsuitspraak slaagt niet; de minister heeft immers kenbaar gemotiveerd waarom hij de correcties en aanvullingen niet betrekt bij zijn afweging. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn medestudenten tegenstijdig en inconsistent zijn en dat dit verdere afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. De minister heeft dit in het kader van artikel 31, zesde lid en onder c van de Vw dan ook als zodanig kunnen meewegen.
Verklaringen over de ontvoering
9. Eiser stelt niet tegenstrijdig of wisselend te hebben verklaard over het aantal aanwezigen in de loods. Eiser weet niet exact hoeveel Tupamaros er exact waren. Door de constante directe vraagstelling, had eiser het gevoel met een exact antwoord te moeten komen. Doordat de samenstelling van de Tupamaros wisselend was en zij niet allen constant in de loods aanwezig waren, is het voor eiser lastig in te schatten met hoeveel zij exact waren. Dat hij aangeeft dat zij met zo’n zes tot tien waren, terwijl hij niet heeft geteld is niet vreemd. Eiser heeft bovendien nimmer verklaard dat de ontvoerden in totaal uit zes jongens bestonden.
9.1.
De minister stelt dat hoewel eiser wordt gevolgd in zijn stelling niet bezig te zijn geweest met het tellen van het aantal aanwezigen, het een feit blijft dat eiser meerdere malen verschillende aantallen heeft genoemd terwijl hij aangeeft niet te hebben geteld. Dat eiser het idee had wel met een antwoord te moeten komen, maakt dit niet anders. Dit neemt immers niet weg dat eiser zelf exacte aantallen aangeeft. Bovendien noemt eiser eerst in de zienswijze dat het aantal leden van de Tupamaros in de loods wisselend was en niet steeds allen aanwezig waren. Dit had echter reeds tijdens het gehoor of in de correcties en aanvullingen naar voren moeten worden gebracht, temeer nu eiser expliciet is gewezen op de tegenstrijdigheden.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser meerdere malen wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal mensen in de loods. De rechtbank is met de minister van mening dat het gegeven dat eiser niet bezig was met het tellen van mensen het des te opvallender maakt dat hij wel exacte aantallen noemt. Dat eiser het gevoel had een exact antwoord te moeten geven door de constante vraagstelling is voor de rechtbank een onvoldoende bevredigende verklaring, nu de rechtbank niet van dergelijke constante vraagstelling is gebleken. Eiser is eenmaal [16] concreet gevraagd naar het aantal mensen in de schuur en daarna enkel geconfronteerd met de tegenstrijdigheid die als gevolg van die vraag naar voren kwam. Eiser heeft dus uit zichzelf tegenstrijdig verklaard. Dat eiser bij de confrontatie met die tegenstrijdigheid ook nog tegenstrijdig verklaard over het aantal Tupamaros doet niet af aan voorgaande. Ook is de rechtbank met de minister van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen een en ander reeds in de correcties en aanvullingen te corrigeren, niet pas in de zienswijze. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over de ontvoering tegenstijdig en inconsistent zijn. De minister heeft dit in het kader van artikel 31, zesde lid en onder c van de Vw kunnen meewegen.
Conclusie
10. In conclusie werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat zijn verklaringen over zijn persoonlijke contact met Tupamaros leden vaag en inconsistent zijn, dat zijn verklaring over medestudenten wisselvallig en tegenstrijdig zijn en dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de ontvoering. De rechtbank is daarom van oordeel dan de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin van artikel 31, zesde lid onder c, Vw.
Risico bij terugkeer
Risico door activiteiten in Venezuela en Nederland
11. Volgens eiser motiveert de minister onvoldoende waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Op basis van de landeninformatie is het aannemelijk dat eisers politieke activiteiten bekend zijn of zullen worden bij de Venezolaanse autoriteiten. De minister acht de politieke overtuiging en eerder ondernomen politieke activiteiten van eiser immers geloofwaardig en ook gelooft de minister dat eiser politiek actief is op sociale media en aan demonstraties in Nederland heeft deelgenomen. Uit de landeninformatie volgt dat de autoriteiten zowel in binnen- als buitenland sociale media in de gaten houden en op andere wijze monitoren.
11.1.
De minister overweegt dat hoewel eiser onder het risicoprofiel van dissidenten en politiek activisten valt, geen risico op vervolging bij terugkeer wordt aangenomen. Niet wordt gevolgd dat eiser naar aanleiding van deelname aan manifestaties en uitingen op sociale media in de aandacht van de autoriteiten en Tupamaros staat. Als eerste wordt overwogen dat de manifestaties al enige tijd geleden hebben plaatsgevonden en ruim zeven jaar zijn verstreken. Daarom wordt niet ingezien waarom het nu nog relevant zou zijn voor de autoriteiten en Tupamaros om eiser op grond van deze activiteiten te vervolgen. Eiser heeft geen unieke of onderscheidende rol gespeeld bij de manifestaties waarin het waarschijnlijk is dat eiser meer aandacht trekt dan anderen die een dergelijke rol niet vervullen. Daarnaast wordt overwogen dat eiser geen documenten of correspondentie heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser wordt vervolgd vanwege zijn uitingen en activiteiten in Venezuela. Dat eiser bedreigd zou worden baseert hij op vermoedens en verhalen die hij van derden heeft gehoord. Wanneer eiser gevraagd wordt of de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn uitingen via sociale media, geeft hij aan dat hij ‘gelooft’ dat dit het geval is. [17] Eiser geeft hierbij aan dat hij niet precies weet hoe dit zo gekomen is. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke sociale media door de Venezolaanse autoriteiten wordt gemonitord. Tot slot overweegt de minister dat eiser verklaart dat hij na zijn vertrek uit Venezuela nog een bedreigend bericht op zijn Venezolaanse telefoon heeft gekregen van de Tupamaros. Ook heeft eisers vriendin vernomen dat de Tupamaros in juli 2024 nog naar eiser op zoek waren op de universiteit en in de sportschool [18] en ook heeft eiser van de ex-vriendin van zijn broer gehoord dat ze in januari of februari 2024 zochten aar eiser bij zijn oude woning. Overwogen wordt dat dit verklaringen van derden zijn en eiser geen correspondentie of overige materialen overlegt die deze verklaringen ondersteunen. Uit de verklaringen van eiser blijkt bovendien niet dat de autoriteiten op de hoogte zijn van eisers deelname aan demonstraties in Nederland.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser bij terugkeer geen risico loopt door zijn activiteiten in Venezuela of Nederland. Dat eiser behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel, is op zichzelf niet voldoende voor vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Eiser moet zijn vrees individualiseren en uit het beleid van de minister volgt dat, als een vreemdeling onder een risicoprofiel valt, de individuele omstandigheden van het geval afgezet worden tegen de positie van de groep en algemene (veiligheids)situatie in het land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht concludeert dat eiser zijn individuele vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu het relaas van eiser reeds ongeloofwaardig is bevonden blijft eiser steken op verwijzingen naar algemene informatie. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten persoonlijk heeft te vrezen bij terugkeer. De minister heeft daarbij kunnen overwegen dat eisers politieke activiteiten een bescheiden karakter hebben en het tijdsverloop onwaarschijnlijk maakt dat eiser nog altijd gezocht wordt. Ten aanzien van eisers standpunt dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn politieke activiteiten in Nederland al dan niet op sociale media, oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen stellen dat dit slechts onderbouwd is met vermoedens, verwijzingen naar algemene informatie en informatie van horen zeggen. Dit is te weinig voor het oordeel dat eiser bij terugkeer naar Venezuela risico loopt op vervolging.
Uitingen en activiteiten na terugkeer
12. Tot slot merkt eiser op dat de minister volgt dat eiser zich bij terugkeer ook politiek zal uiten en zou deelnemen aan protestmarsen. Volgens de minister zal eiser hierdoor echter niet in de negatieve belangstelling komen te staan van de autoriteiten, omdat niet wordt geloofd dat hij naar aanleiding van eerdere activiteiten in de negatieve belangstelling is komen te staan van de autoriteiten. Echter blijkt dat demonstranten grote risico’s lopen op arrestaties, martelingen, etc. Men hoeft geen prominent figuur te zijn om dit risico te lopen. De minister heeft derhalve ten onrechte overwogen dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen gevaar heeft te duchten.
12.1.
De minister stelt dat eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Venezuela zou willen deelnemen aan protestmarsen en onder ander zou willen helpen met borden, indien hij geen gevaar zou lopen. [19] Overwogen wordt dat eiser met deze politieke activiteiten op dezelfde voet verder zou gaan als voorheen. Aangezien het niet wordt gevolgd dat eiser naar aanleiding van deze eerdere activiteiten op de radar is verschenen van de autoriteiten, wordt ook nu niet anders geoordeeld. Eiser voert namelijk niets aan waaruit blijkt dat hij specifiek de aandacht zou trekken als hij zich weer politiek zou uiten.
12.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser ook door eventuele politieke uitingen na terugkeer geen risico op vervolging loopt. De rechtbank verwijst daarbij naar de motivering van de minister en voegt daar aan toe dat de minister in de recente politieke ontwikkelingen van na het nemen van het besluit, geen reden heeft hoeven zien voor een ander oordeel. De enkele stelling ter zitting van eiser dat de situatie in Venezuela precair is en dat mensen die de Verenigde Staten steunen gevaar lopen, is in dit kader onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.P. 21 nader gehoor.
3.P. 25 nader gehoor.
4.P. 23 nader gehoor.
5.P. 26 nader gehoor.
6.P. 25 nader gehoor.
7.P. 26 nader gehoor.
8.P. 26 nader gehoor.
9.P. 26 nader gehoor.
10.P. 21 nader gehoor.
11.P. 25 nader gehoor.
12.P. 25 nader gehoor.
14.C&A, d.d. 18 april 2024, p. 7.
15.P. 26 nader gehoor.
16.P. 22 nader gehoor.
17.P. 10 aanvullend gehoor.
18.P. 17 aanvullend gehoor.
19.P. 16 aanvullend gehoor.