Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13483

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
09/033507-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf met voorwaardelijke opname en taakstraf wegens poging zware mishandeling en vermogensdelicten

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot zware mishandeling, wederrechtelijk binnendringen, vernieling en verzet tegen ambtenaren. De feiten dateren van 2024 tot 2026 en betreffen onder meer incidenten met scooters, vernielingen en mishandeling van handhavers.

De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs, maar achtte hem wettig en overtuigend schuldig aan de overige feiten. Vanwege de ernstige verslavingsproblematiek van verdachte, die sinds een scooterongeluk in 2022 verslechterde, besloot de rechtbank af te wijken van de eis tot directe gevangenisstraf.

Er werd een gevangenisstraf van 300 dagen opgelegd, waarvan 257 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op klinische opname, ambulante behandeling, begeleid wonen, schuldhulpverlening en middelencontrole. Daarnaast werd een taakstraf van 180 uur opgelegd. De rechtbank hechtte zwaar aan de noodzaak van behandeling en het voorkomen van recidive.

De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan benadeelden voor immateriële schade en wees een vordering af wegens gebrek aan directe schade. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en een beslag op een mes werd gelast ten behoeve van de rechthebbende.

De straf en voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard om de kans op herhaling te beperken en de behandeling van de verslaving te waarborgen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf waarvan 257 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en 180 uur taakstraf wegens poging zware mishandeling en vermogensdelicten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/033507-26, 09/163579-25 (ttz. gev.), 09/352357-25 (ttz. gev.), 09/281840-24 (ttz. gev.) en 09/030879-25 (tul)
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Tegenspraak

Verkort vonnis

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),BRP-adres: [adres 1] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 mei 2026.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N.B. Genemans, is op de terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie, mr. A.L.M. de l’Isle, heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van
- parketnummer 09/033507-26 (hierna: dagvaarding I): feiten 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5;
- parketnummer 09/163579-25 (hierna: dagvaarding II): feiten 1 en 2;
- parketnummer 09/352357-25 (hierna: dagvaarding III): feiten 1, 2 en 3; en
- parketnummer 09/281840-24 (hierna: dagvaarding IV): feiten 1 en 2.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot
- een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft de dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden gevorderd; en
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.
De officier van justitie heeft verder toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd en zich tot slot op het standpunt gesteld dat de schorsing van de voorlopige hechtenis niet dient te worden opgeheven.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I feit 1 primair en dagvaarding II feit 1 ten laste gelegde. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Inzake dagvaarding I

1.
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een scooter in de richting van [aangever 1] heeft gestuurd, diens kant op heeft gereden en/of heeft nagelaten om tijdig uit te wijken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar en handhaver voor de gemeente Leiden, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten
ter staandehouding en/of aanhouding van verdachte, door:
- met kracht zijn rechter elleboog tegen de rechterhand van die [aangever 1] te brengen, en/of
- zijn armen bij zijn lichaam te houden, en/of
- in een worsteling op de grond het hoofd en/of het gezicht van [aangever 1] te raken,
terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting en/of schaafwond onder zijn rechteroog en/of een wond op zijn rechterhand bij die [aangever 1] ten gevolge heeft gehad;
2.
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op hoge snelheid, vol gas, zonder vaart te verminderen, op een scooter in de richting van die [aangever 2] heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, [aangever 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op hoge snelheid, vol gas, zonder vaart te verminderen, op een scooter in de richting van die [aangever 2] te rijden;
3.
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer anderen, te weten [aangever 3] en/of [aangever 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op een scooter de gashendel volledig naar achteren heeft gehaald en/of hard kwam afrijden in de richting van [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 3] en [aangever 4] heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, twee ambtenaren, [aangever 3] en/of [aangever 4] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening heeft mishandeld door op een scooter hard en vol gas tegen [aangever 4] en/of [aangever 3] aan te rijden;
4.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Leiden op/aan de Agaatlaan, op of omstreeks 1 februari 2026, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 5] ) schade was toegebracht aan haar Renault Clio (gekentekend [kenteken 1] );
5.
hij, op of omstreeks 1 februari 2026 te Leiden, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets of bromfiets, althans een voertuig (Scooter met kenteken [kenteken 2] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
Inzake dagvaarding II
1.
hij op of omstreeks 25 april 2025 te Leiden een Playstation, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij in of omstreeks 24-12-2024 t/m 25-12-2024 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 7] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Inzake dagvaarding III
1.
hij op of omstreeks 28 december 2025 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in een deur en/of dienblad, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 8] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij op of omstreeks 28 december 2025 te Leiden opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wet Middelengebruik, gedaan door een ambtenaar, te weten, [aangever 9] , agent bij politie Eenheid Den Haag, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven;
3.
hij op of omstreeks 28 december 2025 te Leiden in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen op de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [aangever 8] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

Inzake dagvaarding IV

1.
hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Leiden [aangever 10] heeft mishandeld door die [aangever 10] tegen haar bovenbeen, althans haar lichaam, te schoppen;
2.
hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een fiets en/of een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 11] en/of [aangever 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Vrijspraak feiten dagvaarding I onder 1 primair en dagvaarding II onder 1

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder 1 primair en dagvaarding II onder 1 is ten laste gelegd.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Inzake dagvaarding I onder 1 (primair) is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende kan worden vastgesteld onder welke concrete feiten en omstandigheden, in het bijzonder wat betreft de snelheid, de verdachte met zijn scooter op aangever [aangever 1] is afgereden. Aldus kan niet met voldoende mate van zekerheid worden bewezen dat de verdachte met zijn rijgedrag met (voorwaardelijk) opzet heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Inzake dagvaarding II onder 1 is de rechtbank van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld aan wie de betreffende PlayStation toebehoorde, zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich de PlayStation wederrechtelijk heeft toegeëigend.
De verdachte zal dan ook van deze feiten worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte de bij
- dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2 (primair), 3 (primair), 4 en 5;
- dagvaarding II onder 2;
- dagvaarding III onder 1, 2 en 3; en
- dagvaarding IV onder 1 en 2,
ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Inzake dagvaarding I
1. subsidiair
hij op 1 februari 2026 te Leiden zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [aangever 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar en handhaver voor de gemeente Leiden, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding en aanhouding van verdachte, door:
- met kracht zijn rechter elleboog tegen de rechterhand van die [aangever 1] te brengen, en
- zijn arm bij zijn lichaam te houden, en
- in een worsteling op de grond het gezicht van [aangever 1] te raken,
terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een bloeduitstorting en schaafwond onder zijn rechteroog en een wond op zijn rechterhand bij die [aangever 1] ten gevolge heeft gehad;
2. ( primair)
hij op 1 februari 2026 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op hoge snelheid, vol gas, zonder vaart te verminderen, op een scooter in de richting van die [aangever 2] heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 1 februari 2026 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan anderen, te weten [aangever 3] en [aangever 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op een scooter de gashendel volledig naar achteren heeft gehaald en hard kwam afrijden in de richting van [aangever 3] en [aangever 4] en [aangever 3] en [aangever 4] heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Leiden op de Agaatlaan op 1 februari 2026, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever 5] ) schade was toegebracht aan haar Renault Clio (gekentekend [kenteken 1] );
5.
hij op 1 februari 2026 te Leiden als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een bromfiets (
scooter met kenteken [kenteken 2] ) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend;
Inzake dagvaarding II
2.
hij in
de periode van24-12-2024 t/m 25-12-2024 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een auto die aan een ander, te weten aan [aangever 7] , toebehoorde, heeft vernield;
Inzake dagvaarding III
1.
hij op 28 december 2025 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in een deur en
eendienblad, die geheel of ten dele aan [aangever 8] , toebehoorde
n, heeft vernield;
2.
hij op of 28 december 2025 te Leiden opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d Wet Middelengebruik, gedaan door een ambtenaar, te weten, [aangever 9] , agent bij politie Eenheid Den Haag, belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een bloedonderzoek, hieraan geen gevolg te geven;
3.
hij op 28 december 2025 te Leiden in de woning gelegen op de [adres 2] bij een ander, te weten bij [aangever 8] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

Inzake dagvaarding IV

1.
hij op 28 januari 2024 te Leiden [aangever 10] heeft mishandeld door die [aangever 10] tegen haar bovenbeen, te schoppen;
2.
hij op 28 januari 2024 te Leiden opzettelijk en wederrechtelijk een fiets en een scooter, die aan [aangever 11] en [aangever 10] , toebehoorden heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een grote hoeveelheid strafbare feiten. Sommige daarvan zien op de lichamelijke integriteit van (buitengewoon) opsporingsambtenaren of personen. Dit zijn ernstige feiten. Personen met een publieke taak moeten er in het belang van de openbare orde en de veiligheid bij uitstek op kunnen rekenen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden gevrijwaard blijven van tegen hen gerichte vormen van geweld of dreiging daarmee. Andere bewezen verklaarde feiten betreffen vermogensdelicten. Dit soort delicten zorgt voor overlast. Alle feiten tezamen rechtvaardigen als uitgangspunt een gevangenisstraf van langere duur. Daarbij weegt mee dat er sprake is van recidive, gelet op het strafblad van de verdachte. Op zichzelf wekt de eis van de officier van justitie dan ook geen bevreemding.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om van die eis af te wijken en het anders te doen dan zoals de officier van justitie heeft voorgesteld. Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van SVG Reclassering Fivoor. Daarin staat dat de verdachte zijn leven goed op orde had. Hij had een eigen koeriersbedrijf en er speelden geen problemen. In 2022 heeft de verdachte een scooterongeluk gehad. Sindsdien lijkt het bergafwaarts met hem te gaan. Bij de verdachte is sprake van verslavingsproblematiek, namelijk van problematisch roken en cocaïnegebruik. De verdachte mist inzicht in de aanwezige problematiek en overschat zichzelf om zijn afhankelijkheid van cocaïne te kunnen doorbreken. Zijn middelengebruik is van invloed op meerdere leefgebieden, waaronder zijn psychosociaal functioneren. Zijn cocaïnegebruik staat echter op de voorgrond en belemmert hem om stabiliteit en structuur in zijn leven te verkrijgen. Ook zijn er forse schulden ontstaan. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als hoog. De reclassering adviseert de navolgende bijzondere voorwaarden:
• meldplicht bij reclassering GGZ Reclassering Fivoor;
• opname in een zorginstelling;
• ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
• verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
• dagbesteding;
• aflossing schulden en
• beheersing van diens middelengebruik.
Ter terechtzitting is de rechtbank uitgebreid met de verdachte in gesprek gegaan over zijn verslaving en zijn hulpvraag. De rechtbank herkent in dit gesprek het beeld dat de reclassering schetst. Uiteindelijk heeft de verdachte aangegeven dat hij hulp wil en dat hij ook bereid is zich kortdurend klinisch te laten opnemen, mocht dat nodig zijn.
Voor de rechtbank weegt zwaar dat niet alleen de verdachte, maar ook de samenleving als geheel het meest gebaat is bij een verplichte klinische opname in een zorginstelling en begeleiding op de door de reclassering aangewezen leefgebieden. Het doorkruisen van de klinische opname en behandeling door een terugkeer naar de gevangenis, acht de rechtbank onwenselijk. Als stok achter de deur dat de verdachte zich zal houden aan de door de reclassering geadviseerde en door de rechtbank op te leggen bijzondere voorwaarden, zal de rechtbank een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. In het kader van vergelding en algemene preventie zal de rechtbank daarnaast ook een forse taakstraf opleggen. Inzake dagvaarding IV stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn van twee jaar met bijna 4 maanden is overschreden. Gelet op de geringe mate van overschrijding en omdat de rechtbank in de andere bewezen verklaarde feiten wel tijdig vonnist, zal zij volstaan met de enkele vaststelling daarvan.
Tot het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, zoals door de officier van justitie geëist, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht is tegen een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten handhavers van de gemeente en andere al dan niet willekeurige personen. Gelet op de verslavingsproblematiek van de verdachte, zoals ook is uiteengezet in de rapportage van de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [aangever 1]
heeft zich inzake dagvaarding I feit 1 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert ter zake van door hem geleden immateriële schade een schadevergoeding van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag, bestaande uit pijn en psychisch letsel, lager zou moeten worden vastgesteld en dat de vordering wat betreft het psychisch letsel onvoldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder dagvaarding I feit 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 200,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
De benadeelde partij [aangever 3]
heeft zich inzake dagvaarding I feit 3 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert ter zake van door hem geleden immateriële schade een schadevergoeding van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 800,00.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 3 bewezen verklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .
De benadeelde partij [aangever 5]
heeft zich inzake dagvaarding I feit 4 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting verklaard haar vordering in te trekken.
De benadeelde partij [aangever 7]
heeft zich inzake dagvaarding II feit 2 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert ter zake van door haar geleden materiële schade een schadevergoeding van € 135,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, aangezien deze - gelet op het bericht van de verzekeraar - inhoudt dat het bedrag van € 135,00 aan eigen risico pas geïncasseerd wordt als de verzekeraar er niet in slaagt het bij de dader te verhalen. Hiervan is tot op heden niet gebleken. Evenmin is in het dossier een stuk opgenomen op grond waarvan de benadeelde partij namens de verzekeraar mag optreden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien deze ziet op eventueel toekomstige en derhalve nu geen sprake is van rechtstreekse schade.

Het in beslag genomen voorwerp

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen mes te onttrekken aan het verkeer.
De raadsman heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank kan op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet zeggen dat het mes voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring in aanmerking komt. Evenmin kan de rechtbank een persoon als rechthebbende van dat mes aanmerken. De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft bij vordering van 24 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/030879-25 door de politierechter op 29 juli 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen omdat toewijzing zou betekenen dat de verdachte weer naar de gevangenis moet, hetgeen disproportioneel is, te meer nu dit de klinische opname van de verdachte zou doorkruisen. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering gedeeltelijk toe te wijzen.
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 24 februari 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank acht voorts termen aanwezig om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf. Voorop staat dat de verdachte moet worden behandeld om van de hardnekkige verslaving af te komen.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 60a, 63, 138, 181, 184, 300, 302 en 350 van
het Wetboek van Strafrecht; en
7, 163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (parketnummer 09/033507-26) onder 1 primair en dagvaarding II (parketnummer 09/163579-25) onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij
- dagvaarding I (parketnummer 09/033507-26) onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5
- dagvaarding II (parketnummer 09/163579-25) onder 2
- dagvaarding III (parketnummer 09/352357-25) onder 1, 2 en 3 en
- dagvaarding IV (parketnummer 09/281840-24) onder 1 en 2
ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I onder 1 subsidiair
wederspannigheid;
dagvaarding I onder 2 primair
poging tot zware mishandeling;
dagvaarding I onder 3 primair
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
dagvaarding I onder 4
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;
dagvaarding I onder 5
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
dagvaarding II onder 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
dagvaarding III onder 1
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
dagvaarding III onder 2
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
dagvaarding III onder 3
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
dagvaarding IV onder 1
mishandeling;
dagvaarding IV onder 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 300 (DRIEHONDERD) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
een gedeelte van die straf, groot 257 (TWEEHONDERDZEVENENVIJFTIG) DAGEN niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland SVG Reclassering Fivoor op het adres [adres 3] en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in een (intramurale) zorg instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een
overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
- zich onder behandeling stelt van het Ambulant Centrum van Fivoor, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor diens verslavingsproblematiek.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afloop van een klinische behandeling. Veroordeelde houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur.
- zich onder begeleiding stelt van de Materiële Juridische Dienstverlening (MJD) van Fivoor en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- zich gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van cocaïne en cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 180 (HONDERDTACHTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
90 (NEGENTIG) DAGEN;
[aangever 1] (dagvaarding I, feit 1 subsidiair)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] deels toe tot een bedrag van € 200,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
[aangever 3] (dagvaarding I, feit 3)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] toe tot een bedrag van € 800,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
[aangever 5]
verstaat dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 5] ter terechtzitting is ingetrokken;
[aangever 7] (dagvaarding II, feit 2)
bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij [aangever 7] tot vergoeding van de proceskosten die de verdachte heeft moeten maken om zich tegen de vordering te verdedigen, welke kosten de rechtbank begroot op nihil;
Beslag
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een mes;
Tenuitvoerlegging
gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 29 juli 2025, gewezen onder parketnummer 09/030879-25, te weten gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis;
Voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A. de Koning, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.