ECLI:NL:RBDHA:2026:13459

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/688747 / FA RK 25-5472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 223 RvArt. 282 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gezag, zorgregeling en kinderalimentatie na relatiebreuk ouders

De rechtbank behandelt een verzoek van de moeder en een zelfstandig verzoek van de vader met betrekking tot het gezag, de zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling van de inboedel na beëindiging van hun relatie.

Partijen zijn gezamenlijk gezagdragers over drie minderjarige kinderen, die bij de moeder staan ingeschreven. De rechtbank bevestigt het gezamenlijk gezag en wijst het verzoek van de moeder af om eenhoofdig gezag te verkrijgen. De zorgregeling wordt aangepast vanwege de terugval van de moeder in overmatig alcoholgebruik, met een opbouw naar de oorspronkelijke 50/50-verdeling.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op € 188 per maand per kind vanaf 1 juli 2026, rekening houdend met de draagkracht van beide ouders en het tekort in de kosten van de kinderen. Het verzoek van de vader tot verdeling van de inboedel wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan samenhang met het oorspronkelijke verzoek. Vervangende toestemming wordt verleend aan de moeder om identiteitsbewijzen voor twee kinderen aan te vragen.

Uitkomst: Gezag blijft gezamenlijk, zorgregeling en kinderalimentatie worden vastgesteld, vader niet-ontvankelijk in verzoek inboedelverdeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5472
Zaaknummer: C/09/688747
Datum beschikking: 24 april 2026
Gezag, vervangende toestemming identiteitsbewijzen, zorgregeling, hoofdverblijfplaats, kinderalimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 18 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. de Koning te Lisse.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. den Hollander-Fischer te Leiden.
Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 6 oktober 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 16 maart 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 17 maart 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 20 maart 2026 van de moeder, met bijlagen.
Op 27 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld, in de vorm van een
gecombineerde behandelingvan zowel het onderhavige verzoek als het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling (C/09/701342 / JE RK 26/417). Op het laatst genoemde verzoek wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
Op de (gecombineerde) zitting zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
- Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld voor [de minderjarige 1] , welke bij beschikking van 28 mei 2024 van deze rechtbank is bekrachtigd.
- Bij beschikking van 27 maart 2026 van deze rechtbank zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling tot 27 maart 2027.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:
bij voorlopige voorziening
- de vader te veroordelen om vanaf 20 mei jl. voorlopig € 375,- per maand per kind aan kinderalimentatie te voldoen;

in de bodemzaak

  • een bijdrage in verzorging en opvoeding voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] vast te stellen van € 375,- per maand per kind vanaf 20 mei 2025, althans vanaf indiening van het verzoekschrift, althans een zodanig bedrag zoals de rechtbank juist acht;
  • primair, te bepalen dat het gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] voortaan alleen aan de moeder toekomt;
  • subsidiair,de moeder vervangende toestemming te verlenen om voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] identiteitsbewijzen aan te vragen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader – na wijziging – zelfstandig verzocht:
  • de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij de vader te bepalen;
  • een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen te bepalen van iedere woensdag en vrijdag van 06:30 uur tot 16:00 uur en van zaterdag 07:00 uur tot 16:30 uur, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling;
  • tot verdeling van de inboedel, zoals onder punt 64-66 van het verweerschrift omschreven;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank – kort samengevat – het volgende gebleken. Er is sprake van een hectische periode, waarin de ouders de relatie in maart 2025 hebben verbroken. Nadat er verschillende Veilig Thuis meldingen zijn gedaan, is Voorieder1 op 11 september 2025 betrokken geraakt. Op dat moment verbleven de kinderen (nog) voltijds bij de moeder en was er geen contact tussen de vader en de kinderen. Op 13 november 2025 stond een evaluatiemoment met Voorieder1 en Veilig Thuis gepland in de woning van de moeder. De moeder was op dat moment niet in haar woning aanwezig. Zij heeft later die dag contact opgenomen met Voorieder1, waarbij zij verward en emotioneel ontregeld overkwam. De volgende dag heeft Voorieder1 een huisbezoek gedaan bij de moeder. Toen werd duidelijk dat de moeder alcohol had gedronken, dat zij (mede) hierdoor niet beschikbaar was voor de kinderen en dat het haar niet lukte om de basisverzorging van de kinderen op zich te nemen. Uiteindelijk zijn de kinderen tijdelijk opgevangen bij familieleden. Vervolgens hebben de ouders met behulp van Voorieder1 (veiligheids)afspraken gemaakt, waaronder een zorgverdeling. De ouders hebben deze verdeling in onderling overleg gewijzigd in een 50/50-regeling, waarbij de kinderen van zondagochtend tot woensdag naar de kinderopvang bij de vader zijn en van woensdag uit de kinderopvang tot zondagochtend bij de moeder. Nadat Voorieder1 betrokken is geraakt, is het in periodes goed gegaan met de moeder. Toch heeft zij in maart 2026 weer een terugval gehad in overmatig alcoholgebruik. Hierdoor was zij niet in staat om conform de 50/50-regeling voor de kinderen te zorgen. De ouders zijn daarom in overleg met Voorieder1 overeengekomen dat de kinderen tot aan de zitting bij de vader overnachten en dat er een bezoekregeling zal zijn tussen de moeder en de kinderen op woensdag en vrijdag van 06:30 uur tot 16:00 uur en op zaterdag van 07:00 uur tot 16:30 uur.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk het gezag over een kind uitoefenen, tenzij blijkt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat een kind bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of waaruit kan worden afgeleid dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank ziet in deze procedure geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Gelet op de huidige situatie is de vader zeer betrokken bij de kinderen. Hij neemt het grootste gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich. Daarbij zijn de kinderen tot 27 maart 2027 onder toezicht gesteld, waardoor met de betrokken jeugdbeschermer kan worden gekeken hoe de ouders het ouderschap, in het belang van de kinderen, vorm kunnen geven. Het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten zal dan ook worden afgewezen.
Vervangende toestemming identiteitsbewijzenSubsidiair verzoekt de moeder om vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] een identiteitsbewijs aan te vragen. Op de zitting is de rechtbank gebleken dat de identiteitsbewijzen voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] nog altijd niet zijn geregeld. Wel heeft de vader op de zitting uitdrukkelijk zijn toestemming hiervoor verleend. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders de identiteitsbewijzen inmiddels hebben geregeld, dan wel zullen regelen. Omdat de rechtbank het belangrijk acht dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] zich zo snel mogelijk kunnen legitimeren, zal zij zekerheidshalve op grond van artikel 1:253a BW de moeder vervangende toestemming verlenen, zoals verzocht.
Zorgregeling
Zoals reeds besproken gold er voorheen een 50/50-regeling, waarbij de kinderen van zondagochtend tot woensdag naar de kinderopvang bij de vader zijn en van woensdag uit de kinderopvang tot zondagochtend bij de moeder. Deze regeling is – na een terugval van de moeder in overmatig alcoholgebruik – als volgt gewijzigd: de kinderen overnachten tot aan de zitting bij de vader, waarbij er een bezoekregeling zal zijn tussen de moeder en de kinderen op woensdag en vrijdag van 06:30 uur tot 16:00 uur en op zaterdag van 07:00 uur tot 16:30 uur. Om de zorg voor de kinderen te kunnen combineren met zijn werk heeft de vader op maandag, dinsdag en donderdag inmiddels een gastouder voor de kinderen geregeld.
De rechtbank constateert dat de ouders het erover eens zijn dat weer moet worden toegewerkt naar uitvoering van de oorspronkelijke 50/50-regeling. De moeder wil echter dat die regeling zo snel mogelijk wordt hervat, terwijl de vader van mening is dat het te vroeg is om direct, zonder opbouw, terug te gaan naar de oorspronkelijke regeling. De rechtbank volgt de vader daarin. Op die manier krijgt de moeder de tijd om te herstellen van de terugval die zij heeft gehad en wordt voorkomen dat er weer veranderingen voor de kinderen plaatsvinden. De vader heeft immers op dit moment net een stabiele situatie gecreëerd voor de kinderen met een gastouder op maandag, dinsdag en donderdag.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat als volgt moet worden toegewerkt naar uitvoering van de oorspronkelijke regeling:
  • met ingang van 8 mei 2026:de kinderen zijn op woensdag van 06:30 uur tot 16:00 uur bij de moeder, alsmede op vrijdag van 06:30 uur tot zaterdag 16:30 uur. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader;
  • met ingang van 5 juni 2026:de kinderen zijn op woensdag van 06:30 uur tot 16:00 uur bij de moeder, alsmede op vrijdag van 06:30 uur tot zondagochtend. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader;
  • met ingang van 1 juli 2026:de oorspronkelijke 50/50-regeling zal weer gelden, in die zin dat de kinderen van zondagochtend tot woensdag naar de kinderopvang bij de vader zijn en van woensdag uit de kinderopvang tot zondagochtend bij de moeder.
Hoofdverblijfplaats
De vader verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. De rechtbank stelt vast dat de kinderen op het adres van de moeder ingeschreven staan. Omdat er toegewerkt zal worden naar een gelijke zorgverdeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.
Kinderalimentatie
Opmerking vooraf
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.
De moeder heeft zowel bij voorlopige voorziening als in de bodemzaak een verzoek gedaan tot vaststelling van de kinderalimentatie. Omdat de rechtbank in de bodemzaak een kinderalimentatie zal vaststellen, zal het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen, wegens gebrek aan belang. De rechtbank zal hierna overgaan tot vaststelling van de kinderalimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De rechtbank overweegt als volgt. De kinderen zijn tot 1 juli 2026 het grootste gedeelte van de tijd bij de vader. Omdat de kinderen bij de moeder staan ingeschreven, zal zij het kindgebonden budget ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat zij daarvan tot 1 juli 2026 haar aandeel in de kosten van de kinderen kan voldoen. Overigens ontvangt de moeder ook de kinderbijslag. Gelet daarop zal de rechtbank de ingangsdatum op 1 juli 2026 bepalen.
- behoefte van de kinderen
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van de kinderen, moet eerst worden bepaald wat de kosten van de kinderen zijn (de behoefte). De moeder heeft de behoefte van de kinderen gemotiveerd gesteld op € 454,- per maand per kind. De vader heeft de behoefte van de kinderen niet berekend. Ook heeft de vader de behoefte die de moeder heeft gesteld, niet weersproken. Daarom zal de rechtbank de behoefte van de kinderen vaststellen op € 454,- per maand per kind, te weten € 1.362,- per maand in totaal.
- draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader overweegt de rechtbank als volgt. Door de vader zijn geen (verifieerbare) gegevens overgelegd over zijn (recente) financiële situatie. Wel verwijst de moeder in haar verzoekschrift naar de winst uit onderneming die in de jaarstukken over de periode 2021-2023 zou zijn opgenomen. De rechtbank kan deze cijfers, bij het gebrek aan die stukken, niet verifiëren. Daarnaast ontbreken ook de cijfers over 2024 en 2025 volledig. De vader heeft enkel een stuk van zijn boekhouder overgelegd, waarin staat dat er in 2026 een winst uit onderneming wordt verwacht van € 53.050,- bruto. De rechtbank hecht geen waarde aan deze verklaring, aangezien die tot stand is gekomen op uitsluitend door de vader aangeleverde stukken. Daarbij is van belang dat de vader door zijn privésituatie de afgelopen maanden minder omzet heeft kunnen maken, terwijl hij zelf op de zitting heeft aangegeven de verzorging van zijn kinderen nu zo te hebben georganiseerd, dat hij weer volop aan de slag kan. Bij de berekening van de draagkracht van de vader zal de rechtbank daarom toch uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de periode 2021-2023, maar dan uitgaande van de cijfers die de moeder in haar verzoekschrift noemt, namelijk € 69.782,- bruto per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstrijstelling, heffingskortingen en bijdrage ZVW, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.199,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.199 – (1.260 + 1.365)] = € 1.102,- per maand.
Verder heeft de vader gesteld dat hij schulden heeft. Dit betreft – onder meer – een schuld bij de belastingdienst, een huurachterstand, een betalingsachterstand bij de voormalige privéschool van [de minderjarige 4] , een schuld bij de kinderopvang en een betalingsachterstand bij zijn advocaat. De vader heeft geen beroep gedaan op de onaanvaardbaarheidstoets. Daarnaast heeft de vader verzuimd recente overzichten van de hoogte van deze schulden te overleggen. Ook heeft hij niet aangetoond welk bedrag hij maandelijks aan een schuld aflost. De rechtbank zal daarom voor de bepaling van zijn draagkracht geen rekening houden met (de aflossing) op voornoemde schulden. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de vader in het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming heeft ontkend dat sprake is van problematische schulden en dat dat effect zou hebben op de stabiliteit bij hem. De rechtbank geeft de vader mee dat als wel sprake is van dergelijke schulden, hij deze onder ogen moet zien en hulp moet zoeken bij het oplossen daarvan. Hij kan daarvoor terecht bij het digitale loket van Stadsbank [plaats] .
De vader heeft vier kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Omdat ten aanzien van zijn andere kind ook een kinderalimentatie wordt vastgesteld, zal de rechtbank de draagkracht van de vader delen door vier, zodat voor de kinderen een draagkracht van € 826,- per maand beschikbaar is.
- draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een Ziektewetuitkering van € 336,- bruto per week.
Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 2.125,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 2.100,- en € 2.150,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 109,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 935,- per maand (€ 826 + € 109). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van € 1.362,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 427,- per maand.
- zorgkorting
Omdat de zorg over de kinderen per 1 juli 2026 weer gelijk tussen de ouders is verdeeld, ziet de rechtbank aanleiding om in haar berekening uit te gaan van een zorgkortingspercentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 477,- per maand.
Omdat er sprake is van een tekort van € 427,-, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 264,- per maand (€ 477 -/- € 214)
Het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 563,- per maand (€ 826 -/- € 264), te weten € 118,- per maand per kind. De rechtbank zal dit bedrag als kinderalimentatie vaststellen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Verdelen van de inboedel
De vader stelt dat hij veel spullen voor de inrichting van de woning van de moeder heeft betaald. Hij wil een aantal van deze inboedelgoederen en andere zaken terugontvangen en van een aantal inboedelgoederen wil hij graag 60 % van de waarde vergoed krijgen.
De moeder stelt zich primair op het standpunt dat een boedelverdeling tussen ex-samenwoners bij dagvaarding moet worden vastgesteld. De vader is dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Subsidiair is de moeder van mening dat de vader niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de connexiteit van het zelfstandige verzoek van de vader met het verzoek van de moeder in de zin van artikel 282 lid 4 van Pro het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ontbreekt.
De rechtbank overweegt als volgt. De vader heeft een zelfstandig verzoek gedaan tot verdeling van de inboedel. Op grond van artikel 282 lid 4 Rv Pro mag het verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vader onvoldoende samenhang heeft met de verzoeken van de moeder. De vader wordt daarom op basis van artikel 282 lid 4 Rv Pro niet-ontvankelijk verklaard in zijn zelfstandig verzoek. Daarom ziet de rechtbank evenmin aanleiding om het verzoek van de vader door te verwijzen naar team Handel van de rechtbank Den Haag.

Beslissing

De rechtbank:
*
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van het verdelen van de inboedel;
*
verleent vervangende toestemming aan de moeder – die de toestemming van de vader vervangt – om identiteitsbewijzen voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] aan te vragen;
*
stelt de volgende (opbouwende) zorgregeling vast:
  • met ingang van 8 mei 2026:de kinderen zijn op woensdag van 06:30 uur tot 16:00 uur bij de moeder, alsmede op vrijdag van 06:30 uur tot zaterdag 16:30 uur. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader;
  • met ingang van 5 juni 2026:de kinderen zijn op woensdag van 06:30 uur tot 16:00 uur bij de moeder, alsmede op vrijdag van 06:30 uur tot zondagochtend. De overige tijd zijn de kinderen bij de vader;
  • met ingang van 1 juli 2026:er geldt een 50/50-regeling, in die zin dat de kinderen van zondagochtend tot woensdag naar de kinderopvang bij de vader zijn en van woensdag uit de kinderopvang tot zondagochtend bij de moeder;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 1 juli 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 188,- per maand per kind, te weten € 563,- per maand in totaal, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.