ECLI:NL:RBDHA:2026:13440

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
I. C/09/697389 / JE RK 26-37 en II. C/09/703461 / JE RK 26-641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265b, eerste lid, BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

De rechtbank Den Haag behandelde op 24 april 2026 het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing. De gecertificeerde instelling stelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd door de gebrekkige samenwerking van de moeder met hulpverleners en het ontbreken van basisveiligheid en voorspelbaarheid in de thuissituatie.

De moeder voerde verweer en stelde dat zij voldoende medewerking verleent en dat de extra eisen en huisbezoeken haar stress en OCD-klachten verergeren, wat nadelig is voor de kinderen. De vader sloot zich aan bij het standpunt van de moeder en betreurde zijn gebrek aan betrokkenheid.

De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en de onvoldoende medewerking van de moeder. De ondertoezichtstelling werd verlengd tot 9 november 2026 met een aanhouding van het verzoek tot verdere verlenging. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat er nog beperkt zicht is op de kinderen en de negatieve gevolgen van uithuisplaatsing zwaarder wegen dan de noodzaak.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 9 november 2026 en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: I. C/09/697389 / JE RK 26-37 en II. C/09/703461 / JE RK 26-641
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Verlenging ondertoezichtstelling
II. Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. Drenth uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder bekende woonplaats in Nederland.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 6 februari 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 9 mei 2026. Het verzoek (C/09/697389 / JE RK 26-37) is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 6 februari 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 17 april 2026;
- verzoekschrift II (C/09/703461 / JE RK 26-641) met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 april 2026;
- het bericht van de advocaat van de moeder met bijlagen van 17 april 2026;
- de brief van de advocaat van de moeder met bijlagen van 21 april 2026.
1.3.
Op 24 april 2026 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 6 februari 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het aangehouden deel van dit verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. De samenwerking tussen de gecertificeerde instelling, de hulpverlening en de moeder verloopt niet goed. De moeder reageert niet op e-mails en neemt haar telefoon niet op. Bij de moeder is aangegeven dat zij kan vragen om een andere jeugdbeschermer, maar dit heeft zij niet gedaan. De gecertificeerde instelling heeft uiteengezet hoe de huisbezoeken van [zorginstantie 1] zijn verlopen. De moeder heeft geen behoefte aan het intensiveren van de begeleidingsmomenten en de noodzakelijke gezinsondersteuning is gestagneerd. De hulpverleners van [zorginstantie 1] hebben herhaaldelijk voor een dichte deur gestaan, waardoor er geen zicht is gekomen op de ochtend- en avondroutine. Vanuit [zorginstantie 1] is er een Veilig Thuis melding gedaan vanwege de grote zorgen over de kinderen en een gebrek aan een constructieve samenwerking. Ook voor de school van [minderjarige 1] is het lastig om met de moeder in contact te komen. [minderjarige 1] komt nog steeds frequent te laat, wordt niet afgemeld of wordt ziekgemeld. Het lukt Leerplicht ook niet om afspraken te maken met de moeder. Een observatie van [minderjarige 2] bij [zorginstantie 2] is niet doorgegaan, omdat de moeder geen behoefte had aan behandeling thuis. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen over het ontbreken van basisveiligheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder erkent en herkent de zorgen niet die gesignaleerd worden door de hulpverlenende instanties, waardoor de moeder de aanbeveling en adviezen vanuit iHub niet opgevolgt. Positief is dat [minderjarige 2] is gestart met Floorplay en [minderjarige 1] met speltherapie bij iHub. De kinderen komen echter wel vaak te laat op de afspraak en de moeder heeft aangegeven dat zij het nut van de behandeling niet inziet. De gecertificeerde instelling is bezorgd dat deze afspraken niet duurzaam nagekomen zullen worden. Door de houding van de moeder is het onmogelijk gebleken om zicht te krijgen op de thuissituatie, haar opvoedvaardigheden en de veiligheid van de kinderen en zijn de risico’s op onveiligheid toegenomen.
3.3.
Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van een jaar. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het verzoek gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van een ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
Mocht de ondertoezichtstelling verlengd worden dan verwacht de gecertificeerde instelling dat de weestand van de moeder zal blijven, waardoor er geen constructieve samenwerking met hulpverlening plaats kan vinden en het zicht op de kinderen wegvalt. De moeder reageert veelal niet op communicatie met de hulpverlening, waardoor er geen structureel zicht is op de thuissituatie, de dagelijkse verzorging, de opvoedvaardigheden van de moeder en de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen. De moeder weigert structureel om mee te werken aan hulpverlening, komt afspraken niet na en heeft professionals herhaaldelijk de toegang tot de woning ontzegd. De door de rechtbank opgedragen interventies kunnen niet duurzaam worden uitgevoerd. De houding van moeder maakt dat de hulpverlening volledig is vastgelopen en dat de veiligheid, stabiliteit en ontwikkelingskansen van de kinderen niet langer binnen de thuissituatie kunnen worden gewaarborgd. De moeder heeft niet op tijd gereageerd op de mogelijkheid van een gezinsopname en zonder intrinsieke motivatie en medewerking is een gezinsopname niet mogelijk. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk en proportioneel om de kinderen de rust, voorspelbaarheid en professionele ondersteuning te bieden die zij dringend nodig hebben, en om de door de rechtbank verzochte zichtbaarheid en veiligheid te kunnen realiseren. Er is een passend gezinshuis beschikbaar, waarbij de noodzakelijke therapie, dagopvang voor [minderjarige 2] en onderwijs voor [minderjarige 1] mogelijk is.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder heeft voldaan aan de doelen die de Raad heeft gesteld en de moeder ervaart dat er steeds strengere eisen worden gesteld. De vaste afspraken op dinsdag met [zorginstantie 1] gaan door. De moeder heeft aangegeven dat de extra afspraken te belastend voor haar en [minderjarige 2] zijn en daarom niet plaats kunnen vinden. De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat het jammer is dat de betrokken professionals niet meer met de moeder hebben meegedacht om te kijken hoe haar stress verminderd kan worden en naar haar hebben geluisterd. Zo heeft de jeugdbeschermer geen rekening gehouden met de wensen van de moeder rondom het huisbezoek en het betrekken van de vader. [zorginstantie 1] heeft veelvuldig een medewerker ingepland, terwijl de moeder heeft aangegeven dat de verslaglegging van deze medewerker niet klopt. Verder heeft de school niet met de moeder gekeken hoe haar angst rondom de gymles van [minderjarige 1] weggenomen kan worden. Het vertrouwen van de moeder in de gecertificeerde instelling en de hulpverlening is beschadigd. De ondertoezichtstelling en de extra huisbezoeken leveren dermate veel stress op bij de moeder dat haar OCD-klachten toenemen, wat invloed heeft op haar kinderen. Dit is dan ook niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is voldoende zicht op de kinderen door middel van de wekelijkse huisbezoeken van [zorginstantie 1] , de hulpverlening van iHub, de schoolgang van [minderjarige 1] , de dagbesteding van [minderjarige 2] , de huisarts, het consultatiebureau en de tandarts. [minderjarige 2] zal op 11 mei 2026 beginnen met dagopvang bij [instelling] van [zorginstantie 2] , waarbij opgebouwd zal worden naar drie dagen per week. De moeder accepteert voldoende hulpverlening. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing moeten gelet op het bovenstaande worden afgewezen. Als de kinderen buiten de regio uit huis geplaats zullen worden moeten de hulpverlening, de dagbesteding van [minderjarige 2] en de schoolgang van [minderjarige 1] opnieuw geregeld worden, wat niet in hun belang is.
4.2.
De vader sluit zich aan bij het standpunt van de moeder. De vader betreurt het dat hij door de gecertificeerde instelling niet wordt betrokken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn nog steeds zorgen over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder heeft onvoldoende opengestaan voor hulpverlening en de hulpverlening heeft vaak geen of te laat doorgang kunnen vinden, waardoor de moeder en de kinderen hier onvoldoende van hebben kunnen profiteren. De moeder heeft bij de hulpverlening aangegeven het nut van de observaties en de behandeling niet in te zien, waardoor de kinderrechter onvoldoende vertrouwen heeft in de continuering van de hulpverlening als deze zou worden overgedragen naar het vrijwillig kader. De kinderrechter begrijpt dat de moeder veel stress ervaart rondom de hulpverlening en ziet dat zij haar best doet. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij een open houding aan zal gaan nemen richting hulpverlening en bereikbaar is voor de betrokken professionals. De kinderrechter doet een beroep op zowel de moeder als de professionals om de samenwerking te verbeteren. Zo kan er gekeken worden of er medewerkers beschikbaar zijn waarmee de moeder wel een vertrouwensband op kan bouwen en of er een manier is om de stress en angsten van de moeder te verminderen. Hierbij kan de betrokkenheid van de vader een belangrijke rol spelen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 9 november 2026. Aangezien de kinderrechter op de hoogte wil worden gehouden van de ontwikkelingen ten aanzien van het verloop van de hulpverlening van [zorginstantie 1] , de speltherapie van [minderjarige 1] , Floorplay van [minderjarige 2] , de schoolgang van [minderjarige 1] en de dagopvang van [minderjarige 2] , ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor het overige aan te houden. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk
twee wekenvoorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
5.4.
De kinderrechter is momenteel niet van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [2] Hoewel de kinderrechter de zorgen van de gecertificeerde instelling deelt over het onvoldoende doorgaan van de noodzakelijke hulpverlening, ziet de kinderrechter ook dat er nog wel (beperkt) zicht is op de kinderen. Gelet op de negatieve gevolgen die een uithuisplaatsing met zich meebrengt voor de kinderen, acht de kinderrechter een uithuisplaatsing momenteel niet noodzakelijk in het belang van de kinderen en evenmin proportioneel. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij mee zal werken aan in ieder geval wekelijkse huisbezoeken van [zorginstantie 1] , de hulpverlening van de kinderen bij iHub en dat zij ervoor zal zorgen dat [minderjarige 1] naar school gaat en [minderjarige 2] naar de dagopvang. De kinderrechter wijst het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing daarom af.
5.5.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 9 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (C/09/697389 / JE RK 26-37) voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 9 november 2026;
6.4.
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de vader;
- de moeder en haar advocaat;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan de voornoemde zitting een
schriftelijkeupdate zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de overige belanghebbenden;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.