Verzoeker, geboren in 1988 in een land, heeft een verblijfsvergunning asiel en diverse documenten die zijn Palestijnse afkomst bevestigen. Hij verzoekt de rechtbank om zijn staatloosheid vast te stellen. De Staat der Nederlanden adviseert het verzoek toe te wijzen.
De rechtbank beoordeelt de nationaliteitsstatus van verzoeker ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, Syrië en Turkije. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving biedt verzoeker geen nationaliteit, omdat hij niet voldoet aan de afstammingscriteria. Ook de Turkse nationaliteit is niet van toepassing, omdat verzoeker slechts kort in Turkije verbleef en niet aan naturalisatievoorwaarden voldoet.
Op basis van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen vanwege de aard van de zaak. De beschikking is uitgesproken op 24 april 2026 door rechter A.M. van der Vliet.