ECLI:NL:RBDHA:2026:13422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/696496 / HA RK 25-748
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster van Palestijnse afkomst

Verzoekster, geboren in Gaza in 1998, heeft sinds februari 2024 in Nederland een verblijfsvergunning asiel. Zij bezit een Palestijns paspoort dat als vervalst is aangemerkt vanwege ontbrekende pagina's. Het verzoek tot vaststelling van staatloosheid is ingediend op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.

De rechtbank heeft het verzoek zonder mondelinge behandeling behandeld, waarbij de Staat der Nederlanden het verzoek heeft ondersteund. De beoordeling richtte zich op de Palestijnse Gebieden, aangezien verzoekster slechts kort in andere landen verbleef en geen aanwijzingen zijn dat zij een andere nationaliteit heeft.

De rechtbank concludeert dat verzoekster, ondanks haar Palestijnse afkomst, door Nederland als staatloos wordt beschouwd omdat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent. Op grond hiervan wordt de staatloosheid van verzoekster vastgesteld.

Uitkomst: De rechtbank stelt de staatloosheid van verzoekster vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-748
Zaaknummer: C/09/696496
Datum beschikking: 24 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 19 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 26 maart 2026 van de Staat, met bijlagen;
  • het bericht van 31 maart 2026 van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hier desgevraagd mee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:
  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] , Gaza.
  • Verzoekster stelt tot juli 2023 in Gaza te hebben gewoond en vervolgens via Egypte, Turkije, Griekenland, Italië en Luxemburg naar Nederland te zijn gereisd.
  • Verzoekster is op 18 februari 2024 in Nederland aangekomen en zij heeft op 20 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
  • Bij beschikking van 7 november 2025 is aan verzoekster een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd verleend van 18 februari 2024 tot 18 februari 2029.
  • Verzoekster is in het bezit van een Palestijns paspoort. Dit paspoort is onderzocht en was echt, maar is vanwege het ontbreken van pagina 7 en 8 als vervalst aangemerkt.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.

Beoordeling

Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Gelet op de stukken, zal de rechtbank alleen de Palestijnse gebieden bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. Vanwege de korte verblijfsduur van verzoekster in Egypte, Turkije, Griekenland, Italië en Luxemburg, zal de rechtbank deze landen niet bij de beoordeling betrekken. De rechtbank heeft verder geen aanwijzingen dat verzoekster nog een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Zoals verzoekster en de Staat ook van mening zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank gelet op de stukken aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op al het voorgaande, de staatloosheid van verzoekster vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.