ECLI:NL:RBDHA:2026:13416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
C/09/651030 / FA RK 23-5220 & C/09/690786 / FA RK 25-6534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag en vaststelling kinderalimentatie zonder omgangsregeling

De rechtbank Den Haag behandelde twee procedures betreffende het gezag, de zorg- en omgangsregeling en kinderalimentatie voor een minderjarig kind geboren in 2012. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar het contact tussen vader en kind was sinds mei 2025 vrijwel afwezig. Diverse hulpverleningspogingen en ondertoezichtstellingen hebben het contact niet hersteld.

De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder het eenhoofdig gezag toe te kennen vanwege communicatieproblemen tussen de ouders en de kwetsbare situatie van het kind. Een omgangsregeling werd niet opgelegd omdat het kind niet openstaat voor contact met de vader.

De vader werd veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie van €276 per maand, ingaand 24 april 2026, gebaseerd op een vastgestelde behoefte van €500 per maand en een draagkrachtberekening waarbij rekening werd gehouden met het inkomen en schulden van de vader. De verzoeken in de eerste procedure werden afgewezen, en de moeder kreeg het gezag toegewezen in de tweede procedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De moeder krijgt het eenhoofdig gezag, omgangsverzoeken worden afgewezen en de vader moet €276 kinderalimentatie per maand betalen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 23-5220 en FA RK 25-6534
Zaaknummers: C/09/651030 en C/09/690786
Datum beschikking: 24 april 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats, zorg- c.q. omgangsregeling en kinderalimentatie

Beschikkingop het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220 op 23 juli 2023 ingekomen verzoek en het in de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534 op 29 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Dreiling te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader]

,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. den Hollander-Fischer te Leiden.

Procedure

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220:
Bij beschikking van 3 november 2023 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – toestemming verleend aan de moeder, die de toestemming van de vader vervangt, ten behoeve van de aanmelding van [minderjarige] bij iemand met een pedagogische achtergrond voor rouwverwerking, en voor aanmelding voor psychologische- intelligentie- en dyslexie onderzoeken voor zover deze door basisschool [schoolnaam] worden geadviseerd. Daarnaast zijn de ouders doorverwezen naar een mediator en is een definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling pro forma aangehouden, in afwachting van de resultaten van de mediation.
Bij beschikking van 11 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – het gewijzigde c.q. aanvullende verzoek van de moeder tot een raadsonderzoek en de herbevestiging van de vervangende toestemming voor de behandeling van [minderjarige] en de onderzoeken afgewezen. Daarnaast is er een
voorlopigezorgregeling bepaald, in die zin dat [minderjarige] voorlopig bij de vader zal zijn één weekend in de twee weken van vrijdag tot en met zondag, waarbij de ouders in onderling overleg de begin- en eindtijd bepalen. De definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling is pro forma aangehouden tot 15 januari 2025.
Bij beschikking van 31 oktober 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – een
voorlopigezorgregeling bepaald, in die zin dat [minderjarige] bij de vader zal zijn in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot de week erop maandagochtend naar school. De definitieve beslissing ten aanzien van de zorgregeling is pro forma aangehouden tot 15 januari 2025.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 30 januari 2025 van de zijde van vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 3 februari 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 3 februari 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;
  • het F9-formulier van 30 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 8 oktober 2025 van de zijde van de vader.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534:
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 16 maart 2026 van de zijde van de vader, met bijlage;
  • het F9-formulier van 17 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.
De [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Op 27 maart 2026 is de behandeling van de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220 op de zitting voorgezet, gevoegd met de behandeling van de zaak met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534. Op de (gecombineerde) zitting zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

In beide procedures:

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
  • Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 17 oktober 2024 is [minderjarige]
  • Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot 14 oktober 2025.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 2025 is bepaald dat de vader met ingang van 25 augustus 2025

Verzoek en verweer

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220:
Het (resterende) verzoek van de moeder – zoals laatstelijk bij de rechtbank bekend – luidt als volgt:
- een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] eens per week begeleid contact met de vader heeft voor zo lang de hulpverlening dat nodig acht, en daarna eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht – zoals laatstelijk bij de rechtbank bekend – dat:
  • [minderjarige] bij de vader is in de even weken van woensdag uit school tot maandag naar school en in de oneven weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school;
  • de vakanties bij helfte worden verdeeld in onderling overleg;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534:
De moeder verzoekt – na wijziging –:
  • het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat voortaan uitsluitend de moeder met het gezag wordt belast;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn;
  • de vader te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 500,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
  • een raadsonderzoek te gelasten;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
-
primair,de moeder te veroordelen tot nakoming van de bestaande 50/50-zorgregeling, dan wel
subsidiaireen zorgregeling te bepalen tussen de vader en [minderjarige] van om de week een weekend, waarvan de eerste maand een zaterdag om de week en de helft van de vakanties, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220:

In de procedure met zaak- en rekestnummer
C/09/651030 / FA RK 23-5220resteren nog de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling. In de tussentijd is er veel veranderd en heeft de moeder een nieuwe procedure aanhangig gemaakt,
C/09/690786 / FA RK 25-6534. Ook in die zaak ligt een verzoek ten aanzien van de zorgregeling voor. Omdat de verzoeken in de procedure met zaak- en rekestnummer
C/09/651030 / FA RK 23-5220zijn achterhaald, zal de rechtbank deze verzoeken
afwijzenen hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken in de procedure met zaak- en rekestnummer
C/09/690786 / FA RK 25-6534.
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534:
Gezag en hoofdverblijfplaats
De rechtbank stelt het volgende voorop.
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] na een incident op 25 mei 2025 niet meer volgens de afgesproken en in de (tussen)beschikking vastgelegde voorlopige zorgregeling bij de vader is. [minderjarige] verblijft sindsdien bij de moeder en heeft de vader nog slechts sporadisch gezien en gesproken. Daarnaast is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] na 14 oktober 2025 niet meer verlengd. Zij stond niet open voor hulpverlening. Wel is via Family Supporters paardencoaching voor haar geregeld. Dit coachingstraject is breder dan de rouwverwerking waar in eerste instantie op werd ingezet. Inmiddels gaat het iets beter met [minderjarige] , ook op school. Wel heeft zij nog veel last van het overlijden van haar halfzus en vindt zij het moeilijk dat het tweede gezin van de vader uiteen is gevallen. Zij mist [naam 2] , de ex partner van haar vader, en haar halfbroertje en -zusjes, met name [naam 3] . Verder constateert de rechtbank dat [minderjarige] midden in de puberteit zit en dat zij op dit moment niet open staat voor contact met haar vader. Zij is op een aantal momenten erg teleurgesteld in hem, onder meer door heftig gedrag en nare appberichten.
Ten aanzien van de ouders is de rechtbank het volgende gebleken.
De moeder is van haar depressie is hersteld en het gaat beter met haar.
De vader heeft een hectisch jaar achter de rug, waarin zijn relatie met [naam 2] is beëindigd. Er speelt veel in de afwikkeling hiervan. Zo zijn de kinderen, het halfbroertje en de halfzusjes van [minderjarige] , recent onder toezicht gesteld en verblijven zij op dit moment de meeste tijd bij de vader.
Op de zitting heeft de vader erkend dat hij op een aantal momenten ongepast ten opzichte van [minderjarige] heeft gehandeld. Dat handelen kwam voort uit spanningen waardoor de emoties te hoog opliepen en hij heeft zijn excuses daarvoor aangeboden. De vader is van mening dat de moeder [minderjarige] onvoldoende stimuleert in het contact met hem. Omdat het contact tussen hem en [minderjarige] op dit moment ontbreekt, wenst hij dan ook het gezamenlijk gezag te behouden. Hij ziet dat als het belangrijke lijntje wat hij nog met [minderjarige] heeft.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de betrokkenen een aantal hele heftige jaren achter de rug hebben. Dat geldt ook voor [minderjarige] die heen en weer is geslingerd tussen haar ouders. Begeleiding door BOR, Humanitas, een mediationtraject bij [mediator] noch een ondertoezichtstelling, hebben er toe geleid dat het contact tussen de ouders is verbeterd.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat beide ouders gezamenlijk het gezag over een kind uitoefenen tenzij blijkt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat een kind bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, of waaruit kan worden afgeleid dat eenhoofdig gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om af te wijken van voornoemd uitgangspunt, omdat is gebleken dat de ouders, ondanks de inzet van verschillende hulpverlening, niet met elkaar kunnen communiceren. Daarbij ziet de rechtbank [minderjarige] als een kwetsbaar meisje, dat in haar jonge leven al veel heeft meegemaakt. Zij krijgt op dit moment paardencoaching, maar de rechtbank kan niet uitsluiten dat er meer (of andere) hulp voor haar nodig is in de toekomst. De rechtbank acht het van belang dat de communicatieproblemen van de ouders deze hulp, en daarmee het welzijn van [minderjarige] , niet in de weg staan. De moeder heeft al eerder een procedure moeten beginnen om vervangende toestemming voor hulpverlening en onderzoek van [minderjarige] te krijgen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in de huidige situatie een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Gezien de hulpverlening die tot dusver tevergeefs is ingezet om te proberen de communicatie te verbeteren, is het niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het verzoek van de moeder, om haar met uitsluiting van de vader met het eenhoofdig gezag te belasten, zal daarom worden toegewezen.
Omdat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag over [minderjarige] zal uitoefenen, komt de rechtbank niet meer toe aan het verzoek van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank zal dit verzoek, wegens gebrek aan belang, dan ook afwijzen.
De rechtbank zal hierna beoordelen of er een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader wordt vastgelegd.
OmgangsregelingZoals reeds besproken is [minderjarige] een kwetsbaar meisje met eigen problematiek. Zij zit midden in de puberteit en heeft haar eigen ontwikkelingstaken, waarbij zij zich los moet gaan maken van haar ouders. Tijdens het kindgesprek is naar voren gekomen dat [minderjarige] op dit moment niet open staat voor contact met haar vader, omdat hij haar op verschillende momenten heeft teleurgesteld. Beide ouders hebben op de zitting aangegeven dat zij [minderjarige] niet willen dwingen om contact te hebben met haar vader. Zij respecteren daarin haar wensen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen ruimte om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] op te leggen. Als [minderjarige] daar klaar voor is, kan er in de toekomst, al dan niet met behulp van hulpverlening, worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . Daarbij is het van belang dat de moeder haar zoveel mogelijk hierin ondersteunt en dat de ouders over en weer niet negatief over elkaar praten. Het verzoek van de vader dat is gericht op omgang, zal dan ook worden afgewezen.
Raadsonderzoek
De moeder verzoekt een raadsonderzoek te gelasten, omdat zij vreest dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Aangezien de moeder voortaan is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , ziet de rechtbank geen aanleiding om de Raad te verzoeken een onderzoek te verrichten.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2025 bepaald dat de vader met ingang van 25 augustus 2025
voorlopigeen bijdrage aan kinderalimentatie zal voldoen aan de moeder van € 192,- per maand. Gelet daarop zal de rechtbank de datum van onderhavige beschikking, te weten 24 april 2026, als ingangsdatum bepalen.
- behoefte van [minderjarige]
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [minderjarige] , moet eerst worden bepaald wat de kosten van [minderjarige] zijn (de behoefte). Geen van partijen heeft de behoefte van [minderjarige] berekend op basis van het inkomen op het moment dat partijen uit elkaar gingen (2013). In de voorlopige voorzieningen procedure is uitgegaan van de door de moeder gestelde behoefte van € 500,- per maand. De vader heeft die behoefte ook in deze procedure niet weersproken. Daarbij is de vader destijds met zijn ex-partner overeengekomen dat de vader voor [naam 3] € 400,- per maand aan kinderalimentatie betaalt. Gelet op die stand van zaken stelt de rechtbank de behoefte van [minderjarige] vast op € 500,- per maand.
- draagkracht vader
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader overweegt de rechtbank als volgt. Door de vader zijn geen gegevens overgelegd over zijn (recente) financiële situatie. Hij verwijst naar jaarstukken over de periode 2021-2023 uit een procedure ten aanzien van zijn andere kinderen, maar de rechtbank en de moeder beschikken niet over deze stukken. Door de moeder is in haar verzoekschrift enkel verwezen naar de winst die in deze jaarstukken is opgenomen, maar deze zijn bij gebrek aan die stukken niet te verifiëren. Daarnaast ontbreken de cijfers over 2024 en 2025 volledig. De vader heeft enkel een stuk van zijn boekhouder overgelegd, waarin staat dat er in 2026 een winst uit onderneming wordt verwacht van € 53.050,- bruto. De rechtbank hecht geen waarde aan deze verklaring, aangezien die tot stand is gekomen op uitsluitend door de vader aangeleverde stukken die de rechtbank niet heeft kunnen verifiëren. Daarbij is van belang dat de vader door zijn privésituatie de afgelopen maanden minder omzet heeft kunnen maken, terwijl hij zelf op de zitting heeft aangegeven de verzorging van zijn kinderen nu zo te hebben georganiseerd, dat hij weer volop aan de slag kan. Bij de berekening van de draagkracht van de vader zal de rechtbank daarom van de cijfers die de moeder in haar verzoekschrift noemt, betreffende de gemiddelde winst uit onderneming van € 69.782,- bruto per jaar (2021-2023).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstrijstelling, heffingskortingen en bijdrage ZVW, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.199,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.199 – (1.260 + 1.365)] = € 1.102,- per maand.
De vader heeft gesteld dat hij schulden heeft. Dit betreft – onder meer – een schuld bij de belastingdienst, een huurachterstand, een betalingsachterstand bij de voormalige privéschool van [minderjarige] , een schuld bij de kinderopvang en een betalingsachterstand bij zijn advocaat. De vader heeft geen beroep gedaan op de onaanvaardbaarheidstoets. Daarnaast heeft de vader verzuimd recente overzichten van de hoogte van deze schuldenposten te overleggen. Ook heeft hij niet aangetoond welk bedrag hij maandelijks aan één of meerdere schulden aflost. De rechtbank zal daarom voor de bepaling van zijn draagkracht geen rekening houden met (de aflossing) op voornoemde schulden.
De rechtbank merkt daarbij op dat als de vader inderdaad zoveel schulden heeft als hij stelt te hebben (ruim € 90.000), hij er goed aan doet om schuldhulpverlening in te schakelen. Dat kan via het digitale loket van Stadsbank Leiden.
De vader heeft vier kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Omdat ten aanzien van zijn andere drie kinderen ook een kinderalimentatie wordt vastgesteld, zal de rechtbank de draagkracht van de vader delen door vier, zodat voor [minderjarige] een draagkracht van € 276,- per maand beschikbaar is.
- draagkracht moeder
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een Wajong-uitkering van € 1.685,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 1.989,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.950,- en € 2.000,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 50,- per maand voor de moeder in aanmerking nemen. Deze draagkracht moet worden verdeeld tussen [minderjarige] en haar jong-meerderjarige zus Demi, zodat de moeder per kind een draagkracht van € 25,- per maand beschikbaar heeft.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 301,- per maand (€ 276 + € 25). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] van € 500,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 199,- per maand. Omdat er sprake is van een tekort, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend.
- zorgkorting
Omdat er op dit moment geen contact is tussen [minderjarige] en de vader, en de rechtbank ook geen omgangsregeling zal opleggen, ziet de rechtbank aanleiding om in haar berekening geen zorgkorting toe te passen.
- conclusie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader met ingang van 24 april 2026 aan de moeder ten behoeve van [minderjarige] te bepalen kinderalimentatie bepalen op € 276,- per maand.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/651030 / FA RK 23-5220:
*
wijst de verzoeken af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/690786 / FA RK 25-6534:
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 24 april 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 276,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 april 2026.