Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13345

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
C/09/697845 / FA RK 26-441
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige zorg- en opvoedingstaken voor minderjarige na beëindiging relatie ouders

De ouders, die tot december 2024 een affectieve relatie hadden, zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2023. Het kind verblijft bij de moeder, die de Roemeense nationaliteit heeft, terwijl de vader en het kind de Nederlandse nationaliteit bezitten.

Op verzoek van de moeder heeft de rechtbank kennisgenomen van de stukken en berichten waaruit blijkt dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vader stemde hiermee in, waardoor de rechtbank afzag van een zitting.

De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is op grond van de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland en het toepasselijke Nederlandse recht. De gemaakte afspraken worden vastgelegd omdat deze niet in strijd zijn met het belang van het kind. De voorlopige regeling voorziet in verblijfsdagen bij de moeder alleen, gezamenlijke verblijven en bezoek bij de grootouders van de vader.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst verdere verzoeken af. Hiermee wordt de zorgregeling definitief vastgelegd voor de periode tot een eventuele nieuwe regeling.

Uitkomst: De rechtbank legt de voorlopige zorg- en opvoedingstaken vast zoals overeengekomen door de ouders.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-441
Zaaknummer: C/09/697845
Datum beschikking: 23 april 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 15 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. de Boer te Zeist.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
 het verzoekschrift van 15 januari 2026 namens de moeder, met bijlagen;
 het bericht van 23 januari 2026, met bijlage;
 het verweerschrift van 6 maart 2026 namens de vader, met bijlagen;
 het bericht van 11 maart 2026 namens de vader;
 het bericht van 11 maart 2026 namens de moeder;
 het bericht van 10 april 2026 namens de moeder;
 het bericht van 10 april 2026 namens de vader.
Bij de berichten van 11 maart 2026 hebben de ouders de rechtbank bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt. Op 10 april 2026 heeft de moeder de rechtbank meegedeeld dat de ouders een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. De moeder heeft de rechtbank verzocht de bereikte overeenstemming vast te leggen in een beschikking. De vader heeft hiermee ingestemd bij bericht van 10 april 2026. Gelet hierop is afgezien van een nadere behandeling op zitting.

Feiten

 De ouders hebben tot december 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad.
 Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
 [minderjarige] verblijft bij de moeder.
 Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
 De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Roemeense nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat nu luidt, strekt ertoe dat de rechtbank de door de ouders overeengekomen voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastlegt in een beschikking.
De vader stemt met dit verzoek in volgens het bericht van 10 april 2026.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoek tot vaststelling van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Het is de rechtbank gebleken dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en zij vragen de rechtbank om deze vast te stellen. De rechtbank zal de door de ouders gemaakte afspraken vastleggen nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet.
Gelet op voormelde overeenstemming beschouwt de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] voor het overige als ingetrokken, zodat zij daar geen beslissing meer op hoeft te nemen.

Beslissing

De rechtbank:
stelt voor de minderjarige:
 [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ,
de volgende voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:
 op maandag en dinsdag verblijft [minderjarige] alleen met de moeder in de huidige
gezamenlijke woning;
 van woensdag tot vrijdagochtend verblijven de moeder en de vader samen met [minderjarige] in de woning en verdelen zij de één-op-één momenten met [minderjarige] onderling;
 de ene week gaat [minderjarige] van vrijdag 09:30 uur tot zaterdag 17:00 uur met de vader mee naar de ouders van de vader in [plaats] en de andere week gebeurt dat van vrijdag 09:30 tot zondag 17:00 uur;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2026.