Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699859 / FA RK 26-1651
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 283 RvArt. 130 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden ouders van een minderjarige geboren in 2019. Na eerdere regelingen over verblijf en verzorgingsbijdrage verzoekt de vader wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. De moeder verschijnt niet in de procedure en voert geen verweer.

De rechtbank constateert dat de moeder vanwege eigen trauma's niet in staat is voor het kind te zorgen en dat het kind sinds 6 maart 2026 volledig bij de vader verblijft. De rechtbank acht het in het belang van het kind om de feitelijke situatie juridisch te bekrachtigen en wijzigt de hoofdverblijfplaats naar de vader. De bijdrage in de kosten van verzorging komt te vervallen vanaf die datum.

De zorgregeling met de vader is niet langer nodig; de vader verzoekt een regeling met de moeder. De rechtbank kan geen zorgregeling opleggen omdat de moeder niet is verschenen en er zorgen zijn over haar draagkracht. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert hulpverlening via Massive Care, waar de vader mee instemt. De zorgregeling wordt daarom aangehouden voor drie maanden.

Het verzoek tot schorsing van het gezag van de moeder of toekenning van eenhoofdig gezag aan de vader wordt afgewezen wegens onvoldoende gronden en het ontbreken van een nieuwe oproeping van de moeder. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vader vastgesteld en de verzorgingsbijdrage vervalt per 6 maart 2026; de zorgregeling wordt aangehouden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1651
Zaaknummer: C/09/699859
Datum beschikking: 22 april 2026

Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 19 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 19 februari 2026 van de zijde van de vader, met bijlage;
- het F9-formulier van 22 februari 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
- het F9formulier van 16 maart 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 24 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat en tolk G. Ogbamichael;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2017.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
  • Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.
  • Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de moeder de Eritrese nationaliteit en de vader de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van 17 mei 2022 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken, en – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- [de minderjarige] iedere week van woensdag 17:00 uur tot donderdag 07:00 uur en van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de vader zal zijn;
- de vader € 231,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] moet voldoen, met ingang van1 januari 2022;
- Bij beschikking van 15 maart 2024 van deze rechtbank is bepaald dat [de minderjarige] op de volgende momenten bij de vader zal zijn: vrijdag 15 maart 2024 uit de opvang tot zaterdag 16 maart 2024 17:00 uur, vrijdag 29 maart 2024 uit de opvang tot zondag 31 maart 2024 17:00 uur en vanaf dit moment om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur. Voorts zijn partijen doorverwezen naar mediation.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
Primairte bepalen dat [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf zal hebben bij de vader; alsmede te bepalen dat de vastgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding zal komen te vervallen met ingang van de dag waarop de wijziging van het hoofdverblijf in zal gaan;
Subsidiairte bepalen dat met wijziging van de beschikking van 15 maart 2024, voor zover het de beslissing met betrekking tot de invulling van de zorgregeling betreft, [de minderjarige] bij de moeder zal zijn elke 14 dagen een weekend, en wel van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, alsmede (verdeling feestdagen);
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Wijziging hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek omtrent de hoofdverblijfplaats.
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
Recent hebben zich ontwikkelingen voorgedaan tussen de ouders. De moeder hield contact tussen [de minderjarige] en de vader af, maar heeft plotseling aan de vader kenbaar gemaakt dat het haar momenteel niet lukt om voor [de minderjarige] te zorgen en haar de noodzakelijke veiligheid te bieden. Dit in verband met haar eigen trauma’s. De moeder heeft de vader daarom gevraagd of [de minderjarige] bij hem mag verblijven. Sinds 6 maart 2026 verblijft [de minderjarige] volledig bij de vader. Tijdens de zitting heeft de vader verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] en dat zij volledig deel uitmaakt van zijn (samengestelde) gezin.
Nu [de minderjarige] sinds kort volledig bij de vader verblijft, acht de rechtbank het redelijk om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de juridische situatie en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen. Omdat [de minderjarige] volledig bij de vader woont, bepaalt de rechtbank tevens dat de vastgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de vader aan de moeder zal komen te vervallen met ingang van de dag waarop [de minderjarige] bij haar vader verblijft.
Vaststelling zorgregeling en dwangsom
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek omtrent de zorgregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Inhoudelijke beoordeling
Nu [de minderjarige] inmiddels volledig bij de vader verblijft, is het treffen van een zorgregeling met de vader niet langer nodig. Tijdens de zitting heeft de vader zijn verzoek met betrekking tot de zorgregeling daarom gewijzigd, zodat hij thans verzoekt een zorgregeling met de moeder vast te stellen. Tevens heeft de vader zijn verzoek tot oplegging van en dwangsom ingetrokken.
Omdat de moeder niet in de procedure is verschenen en haar mening en verhaal niet heeft kunnen delen, acht de rechtbank het niet mogelijk om een zorgregeling op te leggen. De rechtbank heeft geen inzicht in de situatie van de moeder en kan niet beoordelen of zij momenteel draagvlak heeft voor het dragen van de zorg voor [de minderjarige] . Ook de Raad heeft deze zorgen tijdens de zitting geuit. Daarom heeft de Raad voorgesteld om hulp in te schakelen binnen het gezin, zodat kan worden onderzocht in hoeverre de moeder beschikt over de noodzakelijke opvoedvaardigheden en of zij in staat is de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. De Raad heeft daarbij de hulp van Massive Care voorgesteld. Tijdens de zitting is met de vader besproken of hij openstaat voor deze vorm van hulpverlening, waarop hij heeft aangegeven hiertoe bereid te zijn en zelf contact te zullen opnemen met Massive Care. Nu de vader de hulpverlening bij Massive Care zal aanvragen en de hulpverlening verder gaat kijken binnen het gezin, zal de rechtbank in afwachting van het verloop van de hulpverlening het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling voor de duur van drie maanden aanhouden.
Schorsen gezag
De vader heeft aan het einde van de zitting, toen hem is gevraagd of er nog iets was wat hij wilde opmerken, zijn advocaat een brief laten voorlezen. Daarmee heeft hij zijn verzoeken willen vermeerderen met het verzoek om het gezag van de moeder te schorsen, danwel om hem het eenhoofdig gezag toe te kennen, omdat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij snel beslissingen kan nemen.
Op grond van artikel 283 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de verzoeker bevoegd, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 van Pro overeenkomstige toepassing. Op grond van lid 3 van dit artikel is, indien de andere partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van het verzoek uitgesloten, tenzij de verzoeker de verandering of vermeerdering van het verzoek tijdig bij exploot aan haar kenbaar gemaakt heeft. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat moet worden vermeden dat de verweerder tot iets veroordeeld kan worden waarvan hij niet weet en niet kan weten dat en waarom het wordt gevorderd. Een en ander betekent voor de toepassing van art. 130 lid 3 Rv Pro op de verzoekschriftprocedure dat, overeenkomstig de hiervoor genoemde daaraan ten grondslag liggende gedachte, in elk geval alle in de procedure eerder opgeroepen, maar niet verschenen belanghebbenden opnieuw dienen te worden opgeroepen, met opgave van de verandering of vermeerdering van het verzoek. [1]
Dit zou betekenen dat de moeder opnieuw moet worden opgeroepen met opgave van de vermeerdering van het verzoek door vader. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding om de moeder – in juridische zin – geheel uit het leven van [de minderjarige] te weren en zal het verzoek van de vader daarom afwijzen. Het is niet vast komen te staan dat [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken, dat eenhoofdig gezag in haar belang is of dat er een grond is voor schorsing van de moeder in de uitoefening van haar gezag. Een nieuwe oproeping kan daarmee achterwege blijven.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ., haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;
stelt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 6 maart 2026 op nihil;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het verzoek omtrent de zorgregeling aan tot 1 augustus 2026;
wijs af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR2009:BI3435)