Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/09/694651 / FA RK 25-8634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet tijdelijk huisverbodArt. 9 Wet tijdelijk huisverbod
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen huisverbod op grond van de Wet tijdelijk huisverbod

Eiser heeft bij besluit van 1 oktober 2025 een huisverbod opgelegd gekregen door de burgemeester van Midden-Delfland, vanwege een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de achterblijfster in de woning. Eiser betwistte de beschuldigingen van fysiek en seksueel geweld en stelde dat het huisverbod niet proportioneel was.

Tijdens de zitting op 25 maart 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat er voorafgaand aan het incident op 1 oktober 2025 meerdere incidenten waren geweest en dat de situatie ter plaatse was geëscaleerd. De rechtbank achtte de verklaringen van de achterblijfster en het risicotaxatie-instrument betrouwbaar en concludeerde dat het huisverbod noodzakelijk was om verdere escalatie te voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder, de burgemeester, in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om het huisverbod op te leggen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod is ongegrond verklaard en het huisverbod is bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8634
Zaaknummer: C/09/694651
Datum uitspraak: 22 april 2026

Wet tijdelijk huisverbod

Uitspraak inzake:

[eiser] ,

eiser,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gemachtigde: mr. C.C.M. Welten te Tilburg,
tegen:

de burgemeester van de gemeente Midden-Delfland,

verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de partner] ,

de partner/achterblijfster,
wonende te op een bij de rechtbank bekend adres.

IProcedure

Bij besluit van 1 oktober 2025 heeft verweerder aan eiser een huisverbod ingevolge artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd, van 1 oktober 2025 (19.00 uur) tot en met 11 oktober 2025 (19.00 uur), ter zake van de woning aan de [adres] , tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige achterblijfster.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 november 2025 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Eiser was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens verweerder was [naam] telefonisch aanwezig.

IIBeoordeling

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging conform artikel 9 van Pro deze wet.
Eiser heeft betwist dat hij fysiek en seksueel gewelddadig is geweest jegens achterblijfster. In de stukken wordt gesteld dat eiser achterblijfster zou dwingen tot seks en het nemen van (hard)drugs. Dat eiser wordt bestempeld in de stukken steekt hem. Hij betwist al deze beschuldigingen. Tijdens het incident van 1 oktober 2025 heeft eiser enkel geprobeerd achterblijfster rustig te krijgen. Zij kan vanwege eigen trauma’s heftig reageren in bepaalde situaties. Eiser heeft nooit enig geweld jegens achterblijfster gepleegd. Er was geen sprake van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van een van de betrokkenen volgens eiser. De gronden voor het opleggen van het huisverbod zijn enkel gebaseerd op de verklaringen van achterblijfster. Een huisverbod opleggen was dan ook niet proportioneel. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth Pro. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat voorafgaand aan het incident op 1 oktober 2025 eerdere incidenten zijn geweest. Niet in geschil is dat de situatie ter plaatse op 1 oktober 2025 geëscaleerd was. Dat het risico taxatie instrument gebaseerd is op de verklaringen van achterblijfster kan de rechtbank volgen, maar dit maakt niet dat er geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar in de woning. Mede gelet op eerdere incidenten was de vrees gerechtvaardigd dat zonder ingrijpen de situatie niet tot rust zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid gebruik gemaakt van de bevoegdheid om in te grijpen middels het opleggen van een huisverbod. Dat verzoeker, die meer ervaring heeft met de omgang met achterblijfster, een andere manier voor ogen had om de situatie te stabiliseren doet hier niet aan af. Daarbij overweegt de rechtbank dat het hier gaat om een spoedmaatregel, hetgeen beperkingen stelt aan het feitenonderzoek door verweerder.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aanwezigheid van eiser in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de achterblijfster.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van eiser bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod gebruik heeft gemaakt. Eiser heeft zelf aangegeven de woning te verlaten zodat achterblijfster in de woning kon blijven, omdat zij geen ondersteunend netwerk in Nederland heeft en eiser wel. Dat eiser zich op deze wijze heeft opgesteld acht de rechtbank helpend. Dit maakt echter niet dat verweerder niet in redelijkheid het huisverbod aan eiser had mogen opleggen. Verweerder heeft terecht het huisverbod aan eiser opgelegd.
Het beroep is derhalve ongegrond.

IIIBeslissing

De rechtbank:
*
verklaart het beroep ongegrond;
*
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2026.
Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden op: