Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13266

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699639 / FA RK 26-1521
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 34 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor vakantie en paspoortaanvraag minderjarige kinderen

De moeder verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met haar drie minderjarige kinderen gedurende zes weken in de zomervakantie en voor de aanvraag van hun paspoorten. De vader weigert zijn toestemming te geven, verwijzend naar het ouderschapsplan waarin de kinderen drie weken bij elke ouder verblijven en het langdurige gebrek aan contact tussen hem en de kinderen.

De rechtbank constateert dat het ouderschapsplan formeel geldt en dat de moeder slechts drie weken vakantie met de kinderen kan plannen zonder toestemming van de vader. Echter, gelet op de feitelijke situatie en de verklaringen van de kinderen, acht de rechtbank het belang van de kinderen gediend met een langere vakantie bij de moeder. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe, met het oog op het belang van het kind en de wens om het contact tussen vader en kinderen te verbeteren.

Daarnaast verleent de rechtbank vervangende toestemming voor de aanvraag van reisdocumenten voor de kinderen, aangezien de vader aangeeft het belangrijk te vinden dat de kinderen een geldig identiteitsbewijs hebben. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt de noodzaak van inzet van beide ouders om het contact te herstellen.

Uitkomst: De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming voor een zes weken durende vakantie met de kinderen en voor de aanvraag van hun paspoorten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1521
Zaaknummer: C/09/699639
Datum beschikking: 22 april 2026

Vervangende toestemming vakantie en paspoortwet

Beschikking op het op 13 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
De minderjarigen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 25 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door mr. A. Azauiyat te Amsterdam, waarnemend voor mr. S. Karami;
  • de vader.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank:
  • vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een reisdocument zoals bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Paspoortwet ten behoeve van de na te melden minderjarigen;
  • vervangende toestemming te verlenen ten behoeve van haar vakantie met de minderjarigen in de periode van 18 juli 2026 tot en met 27 augustus 2026;
  • althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader voert verweer tegen het verzoek, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2025.
- Zij zijn de ouders van de volgende thans minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 2] .
- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

Beoordeling

Vervangende toestemming vakantie
Wettelijk kader
Artikel 1: 253a, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders, waaronder ten aanzien van een vakantie, op verzoek van beide of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd en dat de rechtbank een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder wil in de zomervakantie gedurende zes weken met de kinderen naar [land] reizen om haar familie te bezoeken. De vader weigert echter zijn toestemming hiervoor te geven. Er moet volgens de moeder een uitzondering worden gemaakt op de afspraak uit het ouderschapsplan dat de kinderen in de zomervakantie drie weken bij elke ouder verblijven. Er is immers al geruime tijd geen contact tussen de kinderen en de vader, omdat de kinderen hem niet willen zien.
De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Hij wil geen toestemming geven voor de vakantie, omdat hij vindt dat hij de kinderen door toedoen van de moeder al heel lang niet heeft gezien. Er was hulpverlening betrokken om het contact te herstellen, maar daarvoor geeft de moeder geen toestemming. Volgens het ouderschapsplan verblijven de kinderen in de zomervakantie drie weken bij hem. Hij geeft daarom geen toestemming voor de vakantie van zes weken.
De rechtbank overweegt dat tussen de ouders niet in geschil is dat er al geruime tijd geen contact is tussen de vader en de kinderen. Zolang de moeder geen wijziging heeft verzocht van de afspraak zoals is neergelegd in het ouderschapsplan, blijft deze afspraak gelden. De vader heeft dan ook terecht aangegeven dat de moeder op grond van die afspraak slechts drie weken met de kinderen op vakantie kan. Gelet op de feitelijke situatie en hetgeen de kinderen in het gesprek met de kinderrechter hebben verteld, ziet de rechtbank echter aanleiding om de moeder toch vervangende toestemming te geven voor een reis van zes weken naar Marokko. Zij zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.
Dat neemt niet weg dat op de zitting met de ouders is besproken dat de huidige situatie zeer onwenselijk en niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank acht het in principe in het belang van de kinderen om met beide ouders contact te hebben. De ouders hebben op de zitting ook aangegeven dat zij bereid zijn zich daarvoor te wenden tot hulpverlening om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen en hun onderlinge communicatie te verbeteren. De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich hiervoor zullen inzetten.
Paspoort
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft om vervangende toestemming voor de aanvraag van paspoorten van de kinderen verzocht, omdat deze op 5 juli 2026 verlopen. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat de kinderen een geldig identiteitsbewijs hebben. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van haar vakantie in de periode van 18 juli 2026 tot en met 27 augustus 2026 met de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 2] ;
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van de aanvraag door de moeder van een reisdocument voor de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats 2] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 april 2026.