De rechtbank Den Haag heeft op 22 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het bezit van hasjiesj, een vuurwapen van categorie III en munitie. Op 28 mei 2023 werd in een woning een vuurwapen afgegaan, waarbij een kogel via het plafond in de bovenliggende woning terechtkwam, bijna een bewoonster rakend. Tevens werd in de woning een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj en 35 patronen munitie aangetroffen.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk de hasjiesj en het vuurwapen met munitie in zijn bezit had. Dit werd onderbouwd met bewijsmiddelen zoals DNA-sporen op de munitie en de locatie van de drugs in de slaapkamer van de verdachte. De verdediging voerde aan dat de munitie in de auto niet tot de bewezenverklaring kon behoren en dat de hasjiesj mogelijk van de broer was, maar deze verweren werden verworpen.
De rechtbank nam de ernst van de feiten zwaar mee, vooral het feit dat het vuurwapen daadwerkelijk afging in een woonomgeving met gevaar voor derden. De verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten, maar ontkende en gaf geen inzicht in zijn gedrag. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie maanden werd de straf verminderd van negen naar acht maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en legde de straf op met aftrek van de tijd in voorarrest. De straf is gebaseerd op artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.