ECLI:NL:RBDHA:2026:13181
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak op grond van Dublinverordening
Verzoekers, bestaande uit twee ouders en hun minderjarige kinderen, hebben een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van de asielaanvragen volgens de Dublinverordening.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 19 mei 2026 behandeld en geoordeeld dat, gezien de uitspraak in de bodemzaken (NL26.16386 en NL26.16388), een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom zijn de verzoeken afgewezen.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 934,00, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank heeft de zaken als samenhangend aangemerkt voor de proceskostenregeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter J.W.M. Bunt en griffier F.E. Siblesz, en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening zijn afgewezen en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten.