ECLI:NL:RBDHA:2026:13153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
NL26.21686
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P. Bruins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen bewaring vreemdeling

Verzoeker was onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000, opgelegd op 9 april 2026. Tegen deze maatregel stelde verzoeker beroep in op 16 april 2026. Vervolgens werd de maatregel op 23 april 2026 opgeheven vanwege de uitzetting van verzoeker naar zijn land van herkomst, Mexico.

Op 28 april 2026 trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verzocht verzoeker op 4 mei 2026 om nadere toelichting op het verzoek, waarop geen reactie volgde.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was opgeheven, maar uitsluitend vanwege uitzetting. Er was daarom geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep. Zonder nadere onderbouwing van verzoeker kon het verzoek om proceskostenvergoeding niet worden toegewezen. De rechtbank wees het verzoek af en deed dit zonder zitting op 22 mei 2026.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de maatregel is opgeheven wegens uitzetting en niet vanwege onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21686

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1 Bij besluit van 9 april 2026 heeft verweerder aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 opgelegd.
1.1
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring op 16 april 2026.
1.2
Op 23 april 2026 heeft de minister de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven wegens eisers uitzetting naar zijn land van herkomst.
1.3
Op 28 april 2026 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4
Op 4 mei 2026 is verzoeker verzocht om zijn verzoek nader toe te lichten. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd.
1.5
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoeker heeft zijn verzoek niet toegelicht of onderbouwd. De rechtbank heeft verzoeker daarom bij brief van 4 mei 2026 verzocht zijn verzoek binnen een termijn van twee weken nader toe te lichten.
5. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring is opgeheven omdat eiser is uitgezet naar zijn land van herkomst, namelijk Mexico. Gesteld noch gebleken is dat de maatregel is opgeheven omdat deze op enig moment onrechtmatig is geweest. De conclusie is daarom dat geen sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het ingestelde beroep. Verzoeker heeft niets aangevoerd wat tot een ander oordeel zou moeten leiden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2026

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).