ECLI:NL:RBDHA:2026:13153
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P. Bruins
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen bewaring vreemdeling
Verzoeker was onderworpen aan een vrijheidsontnemende maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000, opgelegd op 9 april 2026. Tegen deze maatregel stelde verzoeker beroep in op 16 april 2026. Vervolgens werd de maatregel op 23 april 2026 opgeheven vanwege de uitzetting van verzoeker naar zijn land van herkomst, Mexico.
Op 28 april 2026 trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verzocht verzoeker op 4 mei 2026 om nadere toelichting op het verzoek, waarop geen reactie volgde.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was opgeheven, maar uitsluitend vanwege uitzetting. Er was daarom geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep. Zonder nadere onderbouwing van verzoeker kon het verzoek om proceskostenvergoeding niet worden toegewezen. De rechtbank wees het verzoek af en deed dit zonder zitting op 22 mei 2026.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de maatregel is opgeheven wegens uitzetting en niet vanwege onrechtmatigheid.