ECLI:NL:RBDHA:2026:1311

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1581
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b, derde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.1b, vierde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.3 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, een Roemeense vreemdeling, werd op 9 januari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 21 januari 2026.

Eiser voerde aan dat hij op 27 december 2025 Nederland was binnengekomen en dat hem onrechtmatig de begeleiding naar het vliegveld was onthouden, waardoor hij onnodig negentien dagen in bewaring bleef. De rechtbank oordeelde dat het strafrechtelijke voortraject niet ter toetsing stond in deze bestuursrechtelijke procedure en dat een vrijheidsstraf in beginsel moet worden uitgezeten.

Verder stelde eiser dat de maatregel van bewaring onduidelijk was en niet puntsgewijs was gemotiveerd. De rechtbank vond dat de maatregel wel alle noodzakelijke elementen bevatte, inclusief grondslag, gronden en motivering, en dat eiser een informatiefolder had ontvangen die de informatie verduidelijkte.

Eiser betoogde ook dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede omdat hij een medische afspraak had in Nederland. De rechtbank stelde vast dat eiser de gronden van de maatregel niet had betwist en dat deze gronden voldoende waren toegelicht. Verweerder had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was om het risico op onttrekking te voorkomen, mede omdat eiser niet wenste terug te keren naar Roemenië en daar voldoende medische zorg beschikbaar is.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1581

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1975 en de Roemeense nationaliteit te hebben.

Strafrechtelijk voortraject

2. Eiser voert ter zitting aan dat hij op 27 december 2025 Nederland is ingereisd. Aan eiser is direct een M127 is uitgereikt, maar er is nagelaten om eiser naar het vliegveld te begeleiden. Eiser is strafrechtelijk veroordeeld voor bedelen en heeft hiervoor in strafrechtelijke detentie gezeten. Verweerder had het openbaar ministerie kunnen verzoeken om de aan eiser opgelegde straf voor het bedelen te passeren en eiser ook meteen zelfstandig kunnen laten terugreizen, wat hem negentien dagen inbewaringstelling had gescheeld. Eiser had immers zelf al een vliegticket bij zich.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder stelt in dit kader terecht dat het strafrechtelijke voortraject in deze beroepsprocedure bij de bestuursrechter niet ter toetsing voorligt. Daarbij is het uitgangspunt dat een vrijheidsstraf in beginsel dient te worden uitgezeten.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
-
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;-
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden [2] heeft verweerder vermeld dat eiser:
-
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;-
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;-
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring onduidelijk is wat aan eiser wordt tegengeworpen. Dit is een gebrek in de informatievoorziening. [3] In de maatregel zijn tekstblokken opgenomen en geen kopjes. Ondanks dat er aan eiser een informatiebrief is overgelegd, is in de opgelegde maatregel van bewaring sprake van een schending van het schriftelijkheidsvereiste met toespitsing op de situatie van eiser.
6. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de gronden van de maatregel niet puntsgewijs – en met het gebruik van tussenkopjes – in de maatregel zijn opgenomen. Wel is de rechtbank van oordeel de maatregel van bewaring alle noodzakelijke elementen bezit, zodat geen sprake is van een gebrek in de informatievoorziening. Zo zijn de grondslag, de gronden en de motivering van de inbewaringstelling in de maatregel van bewaring opgenomen en voldoende uiteengezet. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat aan eiser ook een informatiefolder is uitgereikt, waarin wel duidelijker per grond is aangevinkt wat hem wordt tegengeworpen. Niet is gebleken dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht of aan het schriftelijkheidsvereiste. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Lichter middel
7. In het kader van zijn standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, voert eiser aan dat hij op 7 december 2025 naar Nederland is gekomen omdat hij een afspraak had met zijn arts op 22 januari 2026 in het oogziekenhuis in Rotterdam.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Uit onder meer eisers eigen stelling van een geplande medische behandeling blijkt dat hij niet wenst terug te keren naar Roemenië. Daarbij geldt dat bij de vraag of een lichter middel moet worden toegepast te worden beantwoord in het kader van de terugkeer van eiser en niet op het kunnen verkrijgen van medische behandelingen. Tot slot heeft verweerder terecht overwogen dat eiser wist dat hij niet in Nederland mocht zijn en dat er in Roemenië voldoende medische behandeling aanwezig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
3.Artikel 5.3 van het Vb.