Eiser, een Eritrese nationaliteit, verzocht op 10 juni 2024 om een verblijfsvergunning asiel. De minister verklaarde de aanvraag op 24 maart 2026 niet-ontvankelijk omdat Uganda als veilig derde land werd beschouwd. De minister motiveerde dit met het eerdere verblijf van eiser in Uganda, de veronderstelde toegang tot Uganda en de behandeling van asielzoekers daar.
Eiser betwistte de band met Uganda, stelde dat hij geen intentie had daar te blijven, geen sociaal netwerk meer had en geen werk kon vinden. Ook voerde hij aan dat hij geen paspoort heeft en daardoor niet gegarandeerd toegang tot Uganda heeft, wat de minister onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat de minister de band met Uganda voldoende had gemotiveerd, maar dat de toegang tot Uganda onvoldoende was onderbouwd.
Verder stelde eiser dat Uganda geen asiel meer verleent aan Eritreeërs, wat de minister weerlegde met recente informatie van UNHCR. De rechtbank vond de minister voldoende gemotiveerd dat Uganda asielaanvragen weer in behandeling neemt.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering over de toegang tot Uganda en gaf de minister zes weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.