ECLI:NL:RBDHA:2026:13021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700082 / KG ZA 26-199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • S.J. Hoekstra – van Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling week-op-week-af zorgregeling en raadsonderzoek in familierechtelijke zorgzaak

Partijen, voormalige partners en ouders van twee minderjarige kinderen, zijn in geschil over de zorgregeling na hun uiteengaan begin 2025. De vrouw verzocht om onmiddellijke afgifte van de kinderen en een nieuwe zorgregeling, terwijl de man een wijziging van de zorgregeling en vervangende toestemming voor inschrijving op een kinderopvang vorderde.

De rechtbank constateert dat het eerdere vonnis van 27 maart 2025 niet wordt nageleefd; de kinderen verblijven feitelijk bij de man en de vrouw heeft hen maanden niet gezien. Er zijn geen contra-indicaties voor omgang met de vrouw en begeleide omgang is niet nodig. De vrouw woont inmiddels op een andere locatie, wat een wijziging van omstandigheden vormt.

Gezien de zorgcapaciteiten van beide ouders en de praktische omstandigheden wordt een week-op-week-af regeling vastgesteld, waarbij de vrouw de kinderen ophaalt en terugbrengt. De rechtbank wijst de vorderingen tot afgifte van de kinderen en wijziging van hoofdverblijfplaats af en gelast een raadsonderzoek om de hoofdverblijfplaats en zorgregeling in een bodemprocedure te beoordelen.

De kosten worden ieder voor eigen rekening genomen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vordering tot dwangsom wordt afgewezen omdat partijen overeenstemming bereikten over de zorgregeling.

Uitkomst: De rechtbank stelt een week-op-week-af zorgregeling vast en gelast een raadsonderzoek ter voorbereiding van een bodemprocedure over hoofdverblijfplaats en zorgregeling.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700082 / KG ZA 26-199
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. I.M. Thieme te Zaandam,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. F.J.N. Hendriksen Rattan-Tewari te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de man overgelegde conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties;
- de akte houdende een aanvulling van eis van de vrouw.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2026, waarbij zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Tijdens de zitting is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. Zij zijn begin 2025 uiteengegaan.
2.2
Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
2.3
Bij vonnis in kort geding (hierna: het vonnis) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 27 maart 2025 – voor zover hier van belang –:
- zijn de kinderen voorlopig aan de vrouw toevertrouwd;
- is het voorlopig gebruik van de woning aan de man toegekend;
- is een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de kinderen en de man, inhoudende dat de kinderen iedere woensdag en zondag van 15.00 uur tot 17.00 uur bij de man zijn, en dat, wanneer deze regeling naar wens verloopt, na een maand het contact wordt uitgebreid tot woensdag van 15.00 uur tot 17.00 uur en iedere zondag van 15.00 uur tot na het avondeten.
2.4
De man heeft uit een eerdere relatie nog twee kinderen. Deze kinderen zijn nu zeventien en twaalf jaar oud.
2.5
De vrouw heeft na het uiteengaan van partijen op verschillende plekken verbleven met de kinderen. Uiteindelijk is zij met de kinderen weer ingetrokken bij de man omdat zij toen nergens anders terecht kon. Eind december 2025 is zij na een escalatie uit de woning vertrokken en heeft zij de kinderen noodgedwongen bij de man moeten achterlaten. De man heeft de sloten van het huis daarna vervangen. De vrouw heeft de kinderen sindsdien niet meer (fysiek) gezien.
2.6
Er zijn diverse zorgmeldingen gedaan, waarna Cardea is betrokken en Ambulante Spoedhulp bij de man is opgestart. Dat heeft tot op heden niet geleid tot hervatting van de zorgregeling zoals is bepaald in voormeld vonnis.

3.Het geschil

in conventie
3.1
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te bevelen tot onmiddellijke afgifte van de kinderen aan de vrouw, binnen 24 uur na datum van dit vonnis, dan wel na betekening ervan;
II. de man te veroordelen om binnen 24 uur na datum vonnis dan wel na betekening ervan de persoonlijke goederen van de vrouw en de kinderen af te geven;
III. te bepalen dat de man een dwangsom verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft te voldoen aan het onder I en II bepaalde, van € 1.000,-- per dag, dagdeel daarbij inbegrepen, met een maximum van € 25.000,-;
IV. een voorlopige zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen zal brengen en ophalen bij de man;
V. dan wel een voorlopige zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van de kinderen acht;
VI. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw voelde zich eind december 2025 genoodzaakt de woning te verlaten, om zo haar veiligheid te waarborgen. De pogingen van de vrouw om weer met de kinderen in contact te komen mislukken, omdat de man vast blijft houden aan eenzijdige voorwaarden, waaronder begeleide omgang. De man weigert zich te conformeren aan het eerdere vonnis. De huidige situatie leidt tot onzekerheid en instabiliteit voor de kinderen. Deze omstandigheden brengen een onaanvaardbaar risico mee voor het welzijn en de emotionele ontwikkeling van de kinderen.
3.3
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4
De man vordert – in zoverre met wijziging van het vonnis van deze rechtbank van 27 maart 2025 –:
I. de kinderen voorlopig aan de man toe te vertrouwen, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht;
II. aan de man vervangende toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op [BSO] aan [adres] en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de vrouw.
3.5
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De vrouw is niet in staat een stabiele leefsituatie voor de kinderen te creëren en zij verblijft wisselend bij derden. De man biedt de kinderen rust, continuïteit en stabiliteit, en werkt samen met hulpverlening om dit zo goed mogelijk vorm te geven. De man staat open voor contact tussen de moeder en de kinderen, mits dit op een veilige en verantwoorde manier plaatsvindt. Daarnaast wil de man de kinderen inschrijven op een kinderdagverblijf bij hem in de buurt, nu de hulpverlening heeft geadviseerd om dit te doen.
3.6
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie
4.1
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze vorderingen hierna tezamen bespreken.
De afgifte en toevertrouwing van de kinderen en de zorgregeling
4.2
Uitgangspunt is dat het vonnis van 27 maart 2025 in beginsel moet worden nagekomen, tenzij er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat nakoming niet langer in het belang van de kinderen moet worden geacht en de uitkomst van een bodemprocedure waarin een definitieve/andere zorgregeling wordt bepaald niet kan worden afgewacht. Duidelijk is dat het kort geding vonnis van 27 maart 2025 al geruime tijd niet meer wordt nagekomen. Sinds december 2025 wonen de kinderen feitelijk volledig bij de man en de vrouw heeft de kinderen vanaf toen niet meer (fysiek) gezien. De vraag is hoe het nu verder moet.
4.3
Nu de kinderen hun moeder al enkele maanden niet meer hebben gezien, acht de voorzieningenrechter het, met de Raad, allereerst van groot belang dat dit contact zo snel mogelijk wordt hersteld. Niet gebleken is dat er contra-indicaties zijn voor omgang van de vrouw met de kinderen. De stelling van de man dat de kinderen niet veilig zouden zijn bij de vrouw is onvoldoende onderbouwd; voor begeleide omgang bestaat dan ook geen aanleiding. De vrouw moet in staat worden geacht de kinderen voldoende te kunnen verzorgen en opvoeden. De vrouw heeft er daarbij op gewezen dat zij sinds het begin van dit jaar bij haar nieuwe partner in [plaats 1] woont, dat zij met hem een vaste relatie heeft en zij in de woning ook voldoende ruimte heeft om de kinderen te ontvangen. Bovendien is zij bereid hulpverlening en/of opvoedondersteuning te aanvaarden.
4.4
De wijziging van woonplaats van de vrouw is naar oordeel van de voorzieningenrechter op zich reeds voldoende reden voor een verandering van de eerder bepaalde (voorlopige) zorgregeling. De afstand tussen de woonplaatsen van partijen maakt immers dat reisbewegingen, in het belang van de nog jonge kinderen, zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Verder is de afgelopen maanden gebleken dat ook de man in staat is substantiële zorgtaken op zich te nemen. Onder voormelde omstandigheden valt niet in te zien waarom de vrouw (zoals eerder in het vonnis is bepaald) dan wel de man (zoals de laatste tijd feitelijk het geval was) het leeuwendeel van de zorg zou moeten dragen.
4.5
Nu de voorzieningenrechter beide ouders voldoende in staat acht tot het verrichten van zorgtaken is een redelijke verdeling van die zorgtaken het meest passend. Daarbij wordt aangetekend dat op de zitting gebleken is dat de man momenteel vijf dagen per week werkt en daarnaast soms ook weekenddiensten heeft en dat hij tijdens zijn werk de zorg voor de kinderen feitelijk overlaat aan zijn moeder. Dat is reden te meer om ook de vrouw weer een substantieel deel van de zorg te laten dragen.
4.6
Ter zitting is dit alles met ondersteuning van de Raad met partijen besproken. Zij hebben vervolgens onder regie van de voorzieningenrechter overeenstemming bereikt over een ‘week-op-week-af’-regeling, waarbij de kinderen de ene week van zondagmiddag 17.00 uur tot de daarop volgende zondagmiddag 17.00 uur bij de ene ouder verblijven en de week daarna van zondagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de andere ouder. De vrouw haalt de kinderen op bij de man en brengt ze daar ook weer terug. De kinderzitjes voor de auto worden bij elk wisselmoment over en weer meegegeven. Afgesproken is dat voornoemde regeling zal ingaan vanaf de zondag na de zitting. De voorzieningenrechter acht deze regeling in het belang van de kinderen en zal die dan ook in het dictum vastleggen.
4.7
Dit alles brengt met zich dat de vorderingen van de vrouw die zien op afgifte van de kinderen en de andersluidende zorgregeling worden afgewezen. Ook de vordering in reconventie van de man om de kinderen voorlopig aan hem toe te vertrouwen, zal worden afgewezen.
4.8
Nu de verhuizing van de vrouw zonder toestemming van de man naar [plaats 1] heeft plaatsgevonden, voorziet de voorzieningenrechter op langere termijn discussie tussen partijen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling met de andere ouder. Daarnaast maakt de voorzieningenrechter zich ook wel zorgen om het welzijn van de kinderen in de toekomst, mede gelet op het roerige verleden van partijen, de verstoorde onderlinge verstandhouding en het grote wantrouwen van de man jegens de vrouw. De rechtbank ziet daarom aanleiding om – evenals de raadsvertegenwoordiger op zitting heeft geadviseerd – in deze zaak aan de Raad, vooruitlopend op de beslissingen in een nog aanhangig te maken bodemprocedure te vragen om onderzoek te doen. Dat onderzoek dient betrekking te hebben op beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats is in het belang van de kinderen?
- Hoe dient de zorgregeling met de andere ouder te worden vormgegeven?
Daarbij is het aan de Raad om te beoordelen of het nodig is het onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de vraag of een beschermingsmaatregel nodig is.
4.9
Dit raadsonderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van en met het oog op een bodemprocedure tussen partijen. Dit geding leent zich daar niet voor. De voorzieningenrechter heeft met partijen besproken dat
de mandaartoe binnen drie maanden na heden een bodemprocedure zal starten en het zaak- en rekestnummer van die procedure aan de Raad dient door te geven. De Raad dient zijn rapportage dan in die bodemprocedure in te brengen.
Dwangsom
4.1
De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om aan de in dit vonnis vastgelegde voorlopige zorgregeling voor de man een dwangsom te verbinden en zal de vordering van de vrouw op dat punt daarom afwijzen. Weliswaar heeft de man het contact van de vrouw met de kinderen eerder eenzijdig stopgezet, maar partijen zijn het op de zitting toch eens geworden over de wijze van hervatting van het contact. Bovendien geeft de nu bepaalde zorgregeling een evenwichtigere verdeling van zorgtaken, waardoor de spanningen over en weer hopelijk zullen afnemen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat beide partijen zich vanaf nu weer ten volle zullen inspannen om de nieuwe zorgregeling correct na te komen, in het belang van hun kinderen. Daarin heeft de voorzieningenrechter voorshands ook voldoende vertrouwen, te meer nu partijen beiden begeleid (zullen) worden door hulpverlening.
Afgifte persoonlijke spullen
4.11
Ter zitting hebben partijen afgesproken dat de man de zondag na de zitting – bij het overdrachtsmoment – de helft van de spullen van de kinderen, waaronder de helft van hun kleding en speelgoed, aan de vrouw zal meegeven. Ook zal de man het paspoort van de vrouw dan afgeven, mits hij dat kan vinden. Partijen zullen in onderling overleg nadere afspraken maken over afgifte van de overige spullen van de vrouw. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, zal de voorzieningenrechter deze vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afwijzen.
Vervangende toestemming inschrijving [BSO] aan [adres]
4.12
Omdat de vrouw inmiddels in [plaats 1] woont, is nog in geschil of de kinderen hun hoofdverblijfplaats in [plaats 2] zullen hebben of in [plaats 1] . Dit geschil zal moeten worden beslecht in de door de man aanhangig te maken bodemprocedure. De vordering tot vervangende toestemming voor inschrijving op een kinderopvang in [plaats 2] hangt samen met de door de man gewenste (toekomstige) hoofdverblijfplaats van de kinderen. Dit geding leent zich er daarom niet voor om vervangende toestemming voor de kinderopvang in [plaats 2] te geven, zoals de man in reconventie heeft gevorderd. Nu de kinderen voorlopig nog niet naar school gaan, is bovendien ook geen sprake van een spoedeisend belang. Deze vordering van de man zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.13
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en samen de ouders zijn van de kinderen, wordt aanleiding gevonden om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1
bepaalt - met wijziging in zoverre van het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 maart 2025 - dat er voor de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 te [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ,
een ‘week-op-week-af’ regeling zal gelden, inhoudende dat de kinderen de ene week van zondagmiddag 17.00 uur tot de zondagmiddag 17.00 uur daarop bij de vrouw verblijven en de week daarna van zondagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de kinderen haalt en brengt, en de kinderzitjes over en weer worden meegegeven;
5.2
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten als hierboven onder 4.8 en 4.9 overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren ten behoeve van de nog door de man aanhangig te maken bodemprocedure, waarvan het zaak- en rekestnummer door de man aan de Raad voor de Kinderbescherming zal worden doorgegeven;
5.3
bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra – van Vliet, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
SN