Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.13761 en NL26.13762
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, met Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Eiser betwistte dit besluit en stelde dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege mogelijke schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest, en dat er sprake zou zijn van een bijzondere situatie op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië tekortschiet in de nakoming van zijn verdragsverplichtingen.

De rechtbank bevestigde dat het uitgangspunt is dat lidstaten hun verplichtingen nakomen en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met genoemde artikelen. Ook de stelling van bijzondere omstandigheden werd niet onderbouwd. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Proceskosten werden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13761 en NL26.13762
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1976 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaal en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij dat hij hierdoor een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest [3] strijdige behandeling. Tot slot heeft verweerder volgens eiser ten onrechte geoordeeld dat er in het geval van eiser geen sprake is van een bijzondere situatie. Eiser beroept zich in dit kader op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom zich de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen, waaronder de Opvangrichtlijn, tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan een van deze lidstaten, in dit geval Kroatië, een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Eiser heeft ook geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Het is de rechtbank verder niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Mocht eiser (toch) geconfronteerd worden met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, dan kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
7. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen beslissen geen toepassing te gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser stelt allerlei individuele omstandigheden te hebben die de overdracht naar Kroatië onevenredig hard maken, maar heeft deze niet onderbouwd. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit beroepsgrond slaagt niet. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076 en 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.