ECLI:NL:RBDHA:2026:12972
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, met Iraanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Eiser betwistte dit besluit en stelde dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege mogelijke schendingen van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest, en dat er sprake zou zijn van een bijzondere situatie op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Kroatië tekortschiet in de nakoming van zijn verdragsverplichtingen.
De rechtbank bevestigde dat het uitgangspunt is dat lidstaten hun verplichtingen nakomen en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met genoemde artikelen. Ook de stelling van bijzondere omstandigheden werd niet onderbouwd. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Proceskosten werden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.