Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12967

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26927
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op ontduiking toezicht en uitzettingsprocedure

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 11 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren.

Eiser betwist de gronden van de bewaring niet, maar voert aan dat de informatiefolder onvolledig is en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn gezondheid. De rechtbank oordeelt dat de verstrekte informatiefolder passend is en dat de medische omstandigheden reeds zijn meegewogen zonder dat detentieongeschiktheid is vastgesteld.

Verder is er volgens de rechtbank zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, ondanks dat het laissez-passer traject tijd kost. Verweerder handelt voortvarend door regelmatige rappellering bij de Algerijnse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26927

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Gronden van de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen.
Informatiefolder
4. Eiser voert aan dat in de informatiefolder niet is opgenomen dan wel aangekruist is dat eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw. Het is eiser dan ook niet duidelijk op grond van welk artikel hij in bewaring is gesteld.
5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij informatiefolders heeft voor alle bewaringsgrondslagen en dat aan eiser de informatiefolder is verstrekt die ziet op vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat in deze folder alle relevante informatie staat. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat ook tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling de maatregel met eiser is besproken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen, vanwege de gezondheidstoestand van eiser.
7. Gelet op de gronden van de maatregel bestond er een risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en zijn vertrek belemmert of ontwijkt. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om dit risico te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De door eiser aangevoerde medische
omstandigheden zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij en dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is. Indien eiser niet tevreden is met de zorg die hij daar ontvangt, is het aan hem om daarover op grond van de Penitentiaire beginselenwet een klacht in te dienen tegen de medische dienst van het detentiecentrum.
Zicht op uitzetting
8. Eiser voert aan dat niet is gebleken dat op korte termijn door de Algerijnse autoriteiten een lp [4] zal worden verstrekt.
9. In het algemeen bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Verweerder heeft in dat kader ter zitting nog nadere informatie verstrekt over de hoeveelheid aanvragen voor lp’s (102), nationaliteitsbevestigingen (46), afgegeven lp’s (26) en uitzettingen met behulp van een lp (31) in de periode van 1 januari 2026 tot 30 april 2026. Niet is gebleken dat in het geval van eiser geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Dat dit traject mogelijk enige tijd zal gaan duren maakt niet dat hierom moet worden aangenomen dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Voortvarend handelen
10. Eiser voert verder aan dat verweerder niet voortvarend werkt aan de uitzetting, ondanks dat eiser heeft verklaard mee te willen werken aan zijn vertrek.
11. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Verweerder heeft toegelicht dat maandelijks wordt gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 15 mei 2026. Verder heeft verweerder laten weten dat maandelijks vertrekgesprekken worden gevoerd. Het laatste vertrekgesprek is op 6 mei 2026 gevoerd, voorafgaand aan de huidige maatregel van bewaring, en een volgend vertrekgesprek zal begin juni met eiser worden gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Ambtshalve toets
12. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Laissez-passer.