Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12966

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens naamswijziging en familieleven

Eiser, een Georgische nationaliteit dragende vreemdeling, stelde dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onterecht aan hem was opgelegd vanwege een naamsverwisseling. De rechtbank oordeelde dat de naamcorrectie was gebaseerd op informatie van de Georgische autoriteiten en dat het V-nummer consistent was, waardoor de naamsverwisseling niet aannemelijk was.

Daarnaast voerde eiser aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn familieleven in Frankrijk, waar zijn partner en jonge kinderen verblijven. De rechtbank stelde vast dat verweerder dit aspect wel had meegewogen, maar dat het ontbreken van rechtmatig verblijf in Frankrijk en het feit dat eiser geen contact had gehad met zijn familie sinds vier maanden, dit bezwaar onvoldoende maakte.

De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van uitzetting, feitelijk juist en voldoende onderbouwd waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26922

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Georgische nationaliteit te hebben.
Naam op de maatregel van bewaring
2. Eiser voert aan dat sprake is van een naamsverwisseling en dat de maatregel van bewaring aan de verkeerde vreemdeling is opgelegd. Eiser wijst erop dat in de vertrekgesprekken voorafgaand aan de maatregel van bewaring een andere naam van eiser is vermeld dan in de stukken die zien op de inbewaringstelling. Verweerder dient toe te lichten op welke wijze deze naamsverwisseling tot stand is gekomen.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft toegelicht dat een aanpassing van de naam van eiser heeft plaatsgevonden na ontvangst van informatie van de Georgische autoriteiten. De Georgische autoriteiten zijn namelijk op 30 april 2026 akkoord gegaan met een T&O-verzoek [2] en daarbij hebben zij kenbaar gemaakt dat eiser in Georgië met een andere achternaam geregistreerd staat. Gelet daarop heeft verweerder de naam van eiser aangepast naar de naam zoals eiser in Georgië is geregistreerd. Verder is gebleken dat het v-nummer in de verslagen van de vertrekgesprekken en de stukken over de inbewaringstelling hetzelfde is. De stelling van eiser dat sprake is van een naamsverwisseling en dat de maatregel van bewaring aan de verkeerde vreemdeling is opgelegd, wordt dan ook niet gevolgd.
Gronden van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [3] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [4] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten
grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Familieleven in Frankrijk
6. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met het familieleven van eiser in Frankrijk. Eisers partner en twee jonge kinderen, een tweeling van drie jaar oud, verblijven in Frankrijk. Indien eiser niet de gelegenheid krijgt om zelfstandig te vertrekken, wil hij naar Frankrijk worden uitgezet in plaats van Georgië.
7. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat verweerder bij de beoordeling heeft betrokken dat eiser stelt familie te hebben in Frankrijk. Verweerder heeft daar echter geen doorslaggevend gewicht aan hoeven te hechten. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij sinds vier maanden geen contact meer had met zijn familie in Frankrijk. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat niet is gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk, zodat hij niet door verweerder naar Frankrijk uitgezet kan worden of de gelegenheid moet krijgen om zelf naar Frankrijk te vertrekken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 mei 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Terug- en overnameverzoek
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.