ECLI:NL:RBDHA:2026:12962

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/704842 KG ZA 26-483
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:14 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg begrip 'aangrenzende grond(eigenaren)' bij uitgifte pachtgrond en toewijzing aan eiseres

De zaak betreft een geschil over de uitleg van het begrip 'aangrenzende grond(eigenaren)' in de Leidraad uitgifte pachtgronden Boterhuispolder 2026 van de Gemeente Leiderdorp. Eiseres had ingeschreven op Pachtgrond 2 en behaalde een gelijke score met andere inschrijvers. De Gemeente organiseerde een loting die door een ander werd gewonnen, omdat zij eiseres niet als aangrenzend grondeigenaar beschouwde vanwege een tussenliggende gemeentelijke weg.

Eiseres stelde dat de weg, die eigendom is van de Gemeente en slechts bestemmingsverkeer toelaat, haar perceel niet van Pachtgrond 2 scheidt in de zin van het begrip 'aangrenzend'. De rechtbank oordeelde dat de uitleg van de Gemeente te strikt was en dat het begrip ook moet omvatten eigenaren van agrarische grond die gescheiden zijn door een gemeentelijke weg zonder agrarische percelen ertussen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat de Leidraad geen doorslaggevende waarde toekent aan kadastrale grenzen en dat de uitleg van eiseres aansluit bij de ratio van het criterium, namelijk het verminderen van verkeersbewegingen. De Gemeente werd verboden een pachtovereenkomst met derden te sluiten en moest, indien zij een overeenkomst wil sluiten, deze met eiseres aangaan. De vordering tot toewijzing vóór een bepaalde datum werd afgewezen vanwege het voorbehoud van de Gemeente om niet toe te wijzen.

De Gemeente werd veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de Gemeente een pachtovereenkomst met derden te sluiten en gebiedt haar deze, indien zij sluit, met eiseres aan te gaan.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704842 / KG ZA 26-483
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
VOF [eiseres]te [plaats] ,
eiseres,
advocaten mrs. O.B. Schoemaker en J.M.M. Kroon te Utrecht,
tegen:
Gemeente Leiderdorpte Leiderdorp,
gedaagde,
advocaat mr. Mr. A.P. van Delden te Leiden.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Gemeente’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding met producties;
- het bericht van de Gemeente dat zij vrijwillig zal verschijnen in deze procedure;
- de op 11 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Gemeente pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 12 mei 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 19 mei 2026.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De Gemeente heeft de Leidraad uitgifte pachtgronden [polder] 2026 van 20 januari 2026 gepubliceerd (hierna: de Leidraad). In de leidraad wordt melding gemaakt van een openbare selectieprocedure met als doel om gronden in pacht uit te geven en natuurinclusieve landbouw te bevorderen. Er worden drie pachtgronden aangeboden als drie op zichzelf staande gehele pachtgronden. Er is sprake van een vaste pachtprijs. Er worden punten toegekend per extra maatregel ten behoeve van natuurinclusieve landbouw (zoals vermeld in Tabel B bij de Leidraad).
2.2.
In artikel 4.3 van de Leidraad staat vermeld hoe de toewijzing van de pachtgronden zal geschieden, als volgt:
“4.3 Toewijzing
4.3.1
De inschrijver met de hoogste score van het opgetelde aantal punten uit tabel B zal het desbetreffende kavel worden uitgegeven. Bij meerdere inschrijvers en gelijke score hebbende aangrenzende grondeigenaren voorrang. Zijn er meerdere aangrenzende grondeigenaren, met dezelfde score dan vindt er een loting plaats op een nader te bepalen tijdstip en plaats.
(…)
4.3.3
De verpachter heeft het recht om niet toe te wijzen.
(…)”
2.3.
Pachtgrond 2 bestaat uit de volgende percelen (weergegeven in het rood):
2.4.
Op onderstaande kaart zijn de volgende kadastrale percelen zichtbaar:
  • 9004, waarop deels pachtgrond 2 (hierboven in het rood weergegeven) is gelegen;
  • 8361, waarop een gemeentelijke weg loopt;
  • 11962, dat eigendom is van [eiseres] .
2.5.
[eiseres] heeft (uitsluitend) ingeschreven op Pachtgrond 2. Er hebben nog twee andere partijen hierop ingeschreven. Alle inschrijvers op Pachtgrond 2 hebben hetzelfde aantal punten behaald. De Gemeente heeft vervolgens een loting georganiseerd. Deze loting is gewonnen door een van de andere inschrijvers.
2.6.
Tijdens een gesprek tussen [eiseres] en de Gemeente op 20 maart 2026 heeft de Gemeente de uitslag nader toegelicht. Tijdens dit gesprek is gebleken dat [eiseres] de in artikel 4.3.1. van de Leidraad opgenomen woorden ‘aangrenzende grondeigenaar’ anders heeft geïnterpreteerd dan de Gemeente en wel op een zodanige manier dat zij als zodanig kwalificeert. [eiseres] heeft toegelicht dat en waarom de tussen de percelen gelezen weg van de Gemeente daar niet aan af doet. Er had volgens [eiseres] daarom geen loting moeten plaatsvinden, omdat zij als enige aangrenzend grondeigenaar voorrang had op de uitgifte van Pachtgrond 2. De Gemeente heeft toegelicht dat en waarom zij [eiseres] niet beschouwt als aangrenzend grondeigenaar. Zij meent daarom terecht tot een loting te zijn overgegaan. De Gemeente heeft de inhoud van het gesprek vastgelegd in een nadien aan [eiseres] verzonden (per abuis op 23 februari 2026 gedateerde) brief.
2.7.
[eiseres] heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Gemeente. Op 23 april 2026 heeft de Gemeente schriftelijk op dit bezwaar gereageerd. Daarbij heeft de Gemeente aan [eiseres] toegelicht dat en waarom zij blijft bij haar uitleg van het begrip aangrenzend en geen aanleiding ziet haar besluit te herzien. De Gemeente heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om een kort geding te starten en daarbij meegedeeld dat zij de pachtovereenkomsten niet zal aangaan vóór 13 mei 2026.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, na wijzing van haar eis ter zitting, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de Gemeente te verbieden een pachtovereenkomst ter zake Pachtgrond 2 met een derde te sluiten, in ieder geval voor de duur van 12 maanden na de datum van dit vonnis;
de Gemeente te gebieden [eiseres] als ‘aangrenzend grondeigenaar’ te kwalificeren, binnen de reikwijdte van artikel 4.3.1. van de Leidraad;
de gemeente te gebieden Pachtgrond 2 uiterlijk 13 mei 2026 vóór 12.00 uur toe te wijzen aan [eiseres] ;
met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] mocht ervan uitgaan dat haar perceel 8361 als aangrenzend aan Pachtgrond 2 zou worden beschouwd en dat zij dus op grond van artikel 4.3.1 van de Leidraad voorrang zou krijgen op de andere inschrijvers bij de toewijzing hiervan. Er liggen geen agrarische percelen van derden tussen de twee percelen, maar enkel een weg. Deze is ook nog eens van de Gemeente zelf. De aanwezigheid van deze weg ontneemt het perceel in eigendom bij [eiseres] niet het karakter van ‘aangrenzend’ perceel. Daarbij merkt [eiseres] op dat deze weg in dit geval een eigen kadastraal nummer heeft, maar dat dit niet altijd het geval is bij wegen tussen twee percelen. Zo ook niet bij de weg aan de Noordkant van Pachtgrond 3, waar twee watergangen en een weg lopen. De Gemeente ziet het perceel daarboven wel als aangrenzende grond. Dat is inconsistent. De kadastrale aanduiding kan volgens [eiseres] niet doorslaggevend zijn. Daarbij is van belang dat de ratio van het opnemen van dit criterium is gelegen in het verminderen van verkeersbewegingen. Daaraan voldoet [eiseres] bij uitstek gezien haar aangrenzende perceel. Volgens [eiseres] had Pachtgrond 2 daarom aan haar moeten worden toegewezen, nu zij als enige van de inschrijvers op Pachtgrond 2 als aangrenzend grondeigenaar kwalificeert. Door de uitleg die de Gemeente geeft aan het bepaalde in artikel 3.4.1 van de Leidraad past zij deze bepaling niet op een objectieve, toetsbare en/of consistente wijze toe. De Gemeente handelt daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, de regels van het Didam-arrest en artikel 3:14 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), aldus [eiseres] .
3.3.
De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Gemeente bij de uitgifte van de pachtgrond moet zorgen voor gelijke kansen en transparantie voor alle geïnteresseerde partijen en dat de Gemeente met inachtneming van de haar toekomende beleidsruimte selectiecriteria dient op te stellen die objectief, toetsbaar en redelijk zijn. De vraag die in dit geding moet worden beantwoord is of de Gemeente dat heeft gedaan met de bepaling dat bij meerdere inschrijvers en gelijke score aangrenzende grondeigenaren voorrang hebben.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente deze bepaling heeft opgenomen om zoveel mogelijk verkeersbewegingen te verminderen. De Gemeente heeft deze bepaling dan ook in redelijkheid kunnen opnemen om aan die doelstelling tegemoet te komen. Het hanteren van een ‘afstandsbepaling’ is gebruikelijk bij het uitgeven van pachtgrond door een gemeente zoals hier aan de orde, zo heeft [eiseres] gesteld en de Gemeente niet betwist. Partijen achten ten slotte voldoende helder dat onder aangrenzende grondeigenaren moet worden verstaan: eigenaren van aangrenzende grond.
4.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag hoe het begrip aangrenzende grond moet worden uitgelegd. De toepasselijke beginselen van transparantie en gelijkheid brengen mee dat het er om gaat hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver deze bewoordingen heeft kunnen begrijpen.
4.4.
De Gemeente bedient zich van een louter taalkundige uitleg van het begrip aangrenzend en stelt dat aangrenzend betekent ‘belendend’, ‘grenzend aan’ en ‘naastgelegen.’ Daarvan is volgens haar uitsluitend sprake bij percelen die direct aan elkaar grenzen, zonder dat er grond tussen ligt, en die een gemeenschappelijke kadastrale perceelsgrens hebben. De Gemeente stelt dat de rentmeester, die zij heeft ingeschakeld om de eigendomssituatie in kaart te brengen, en de selectiecommissie het begrip ook zo hebben opgevat.
4.5.
Enkel taalkundig bezien volgt de voorzieningenrechter de Gemeente in deze uitleg. De context van de bewoordingen is echter ook van belang. Indien daarop acht wordt geslagen dan dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het begrip aangrenzende grond zo te worden uitgelegd dat het daarbij gaat om de eigenaren van aangrenzende agrarische grond. In het geval tussen beide percelen enkel een gemeentelijke weg ligt en dus geen ander agrarisch perceel of perceel met bebouwing valt dat dus ook onder het gebruikte begrip. Daartoe is het volgende redengevend.
4.6.
In dit specifieke geval is er sprake van de uitgifte van pachtgrond in een polder aan agrarische ondernemers die landbouw beoefenen. Dat zijn degenen die inschrijven op de uitgifte van pachtgrond zoals hier aan de orde. [eiseres] hebben toegelicht dat de tussengelegen weg een smalle landweg is waar alleen bestemmingsverkeer, fietsers en voetgangers komen en dat zij vanuit hun grond eenvoudig, zonder enige belemmering, de weg over hoeven te steken om bij de ingang van Pachtgrond 2 te komen. Dit is door de Gemeente niet gemotiveerd weersproken. Verder is vast komen te staan dat deze weg in dit geval eigendom van de Gemeente is, maar dat er vergelijkbare wegen zijn op andere plekken in de polder – zelfs op de door de Gemeente in de Leidraad uitgegeven pachtgrond – die geen apart kadastraal nummer hebben, maar onderdeel zijn van een kadastraal perceel. De feitelijke situatie, inrichting en wijze van gebruik is daarbij hetzelfde.
4.7.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat er niet is gekozen voor de woorden eigenaren van een aangrenzend
kadastraalperceel, maar voor aangrenzende grond(eigenaren). Dat duidt er op dat de Gemeente geen doorslaggevende waarde heeft willen toekennen aan de kadastrale aanduiding.
4.8.
Ten slotte sluit deze uitleg van de bewoordingen ook aan bij de ratio van deze bepaling, te weten het verminderen van verkeersbewegingen. De voorzieningenrechter volgt [eiseres] in haar standpunt dat het vanuit verkeerskundig oogpunt geen verschil maakt of een weg, die percelen van elkaar scheidt, wel of geen apart kadastraal nummer heeft en dat vanuit deze ratio dan ook niet valt in te zien waarom een kadastrale grens doorslaggevend zou moeten zijn. De Gemeente heeft dit ook niet kunnen uitleggen. De voorzieningenrechter stelt vast dat, indien enkel acht wordt geslagen op de kadastrale grens, dit er juist toe kan leiden dat het doel niet wordt bereikt, doordat de Pachtgrond niet wordt toegewezen aan de eigenaren van aangrenzende agrarische grond, maar aan de eigenaren van verder weg gelegen grond, met als gevolg dat de verkeersbelasting toeneemt.
4.9.
Inschrijvers hebben er gelet op al het voorgaande in redelijkheid niet van kunnen uitgaan dat er alleen sprake is van aangrenzende grond, indien deze grond een kadastrale grens deelt met Pachtgrond 2. Duidelijk was dat, indien er enkel een weg van de gemeente loopt tussen twee agrarische percelen, er ook sprake is van aangrenzende grond. De voorzieningenrechter acht de bewoordingen niet voor meerderlei uitleg vatbaar, maar alleen voor de uitleg die [eiseres] hieraan hebben gegeven, zoals vermeld onder 4.5, mede gelet op de context. Op die wijze uitgelegd is het gehanteerde criterium objectief, toetsbaar en redelijk.
4.10.
Dat brengt met zich dat het onder 1 gevorderde verbod en het onder 3 gevorderde gebod toewijsbaar zijn op de wijze zoals hierna vermeld. De voorzieningenrechter ziet geen grondslag om aan het verbod een bepaalde duur te verbinden, zoals gevorderd, en evenmin om de Gemeente te verplichten om Pachtgrond 2 vóór een bepaalde datum aan [eiseres] toe te wijzen. De Gemeente heeft zich immers voorbehouden om de grond niet toe te wijzen. De toezegging van de Gemeente dat zij de pachtovereenkomsten niet zal aangaan vóór 13 mei 2026 maakt nog niet dat zij gehouden is om deze vóór die datum aan te gaan. De omstandigheid dat [eiseres] uiterlijk op 18 mei 2026 haar Gecombineerde opgave moet indienen, leidt ook niet tot die gehoudenheid. De voorzieningenrechter gaat er overigens van uit dat de Gemeente hiermee wel rekening zal houden. Bij het onder 2 gevorderde gebod heeft [eiseres] geen (afzonderlijk) belang. Die vordering zal dus worden afgewezen.
4.11.
De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 735,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
-------------------
Totaal € 2.101,-
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- verbiedt de Gemeente om op basis van de Leidraad uitgifte pachtgronden Boterhuispolder Leiderdorp 2026 een pachtovereenkomst ter zake Pachtgrond 2 te sluiten met een derde en gebiedt de Gemeente om, indien en voor zover zij een dergelijke overeenkomst ter zake Pachtgrond 2 wil sluiten, deze te sluiten met [eiseres] ;
- veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 2.101,- (te weten griffierecht € 735,-, salaris advocaat € 1.177,- en nakosten € 189,00 (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Gemeente € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
- veroordeelt de Gemeente in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
ts