Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12959

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/704020 KG ZA 26-437
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling meerderjarige zoon tot ontruiming van woning moeder na incident

De moeder vordert in kort geding dat haar meerderjarige zoon de woning die zij bezit binnen vijf dagen verlaat en niet terugkeert, na een incident waarbij hij haar de toegang tot de woning ontzegde. De zoon, die geen inkomen heeft en geen hulp wil aanvaarden, woont zonder recht of titel in de woning sinds het overlijden van zijn vader in 2013.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de situatie tussen partijen ernstig verstoord is en dat het verblijf van de zoon in de woning zonder toestemming is. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering tot ontruiming binnen vijf dagen, omdat de moeder uitgeput is en haar werk moet kunnen blijven uitoefenen, terwijl de zoon geen concreet plan heeft om dakloosheid te voorkomen.

De machtiging om het vonnis met politiehulp ten uitvoer te leggen wordt eveneens toegekend. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De zoon wordt veroordeeld om binnen vijf dagen de woning van zijn moeder te verlaten met machtiging tot ontruiming door politie.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704020 / KG ZA 26-437
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. M. Jonkman te Rotterdam,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de op 4 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is de moeder van [gedaagde] . [gedaagde] is 25 jaar oud. De vader van [gedaagde] is in 2013 overleden.
2.2.
Partijen wonen samen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is eigendom van [eiseres] . Op 16 april 2026 heeft er een incident plaatsgevonden tussen partijen. Sindsdien verblijft [eiseres] tijdelijk ergens anders.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut – [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en daarin niet terug te keren c.q. deze niet verder te betreden, met machtiging van [eiseres] om dit vonnis zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, met compensatie van de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. De situatie waarbij partijen gezamenlijk in de woning wonen is niet langer houdbaar. Het gaat al langer niet goed met [gedaagde] . Hij is in zijn jeugd in opdracht van de jeugdbescherming opgenomen geweest in open en gesloten instellingen en is bekend met hulpverlening. In de zomer van 2025 heeft [gedaagde] zes weken acute behandeling gehad bij de GGZ. Daarna leek het een tijd beter met hem te gaan. Begin van dit jaar had [gedaagde] een terugval, waarbij hij verward, angstig en wantrouwig was en woedend kon worden om kleine dingen. Sindsdien verwacht hij dat [eiseres] altijd voor hem klaarstaat, wordt hij woedend als dat niet gebeurt en beheerst hij haar leven. [gedaagde] heeft geen inkomen. Hij werkt niet en heeft ervoor gekozen geen uitkering aan te vragen. [gedaagde] zoekt, ondanks het advies daartoe van [eiseres] , geen hulp. Op 16 april 2026 is de situatie uit de hand gelopen. [gedaagde] heeft er toen voor gezorgd dat [eiseres] haar eigen woning niet kon betreden, waardoor zij gedwongen elders moest slapen. Omdat de door [eiseres] benaderde instanties en de politie haar daarna hebben geadviseerd niet alleen naar de woning te gaan, verblijft [eiseres] sindsdien tijdelijk elders. Zij heeft alleen nog onder begeleiding van de politie enkele persoonlijke spullen opgehaald, maar ook toen werd de toegang tot de woning door [gedaagde] belemmerd. De voordeur was gebarricadeerd met allerlei spullen die achter de deur lagen. Dit kan niet langer zo doorgaan. [eiseres] wil weer in haar eigen woning wonen, maar zonder [gedaagde] , ook al is hij haar zoon. Zij is uitgeput en overbelast en houdt de huidige situatie niet langer vol en dreigt uit te vallen voor haar werk, zo stelt [eiseres] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om deze zaak aan te houden om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken. [gedaagde] heeft daar ook niet om gevraagd, maar hij heeft wel opgemerkt dat hij te weinig tijd had om een advocaat te vinden. Gebleken is echter dat [gedaagde] zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op de zitting en in staat was om inhoudelijk verweer te voeren tegen het gevorderde. Dit verweer wordt weliswaar gepasseerd, zo volgt uit hetgeen hierna wordt vermeld, maar [gedaagde] heeft zijn belang om langer in de woning te blijven wonen voldoende over het voetlicht gebracht. Het aanbod van [gedaagde] om nog nadere stukken in het geding te brengen, indien dat nodig zou zijn, wordt gepasseerd. Er is geen sprake van stellingen van [gedaagde] die bij een nadere onderbouwing met stukken tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
4.2.
Een kort geding is ervoor bestemd om in spoedeisende gevallen, waarin een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, een ordemaatregel te treffen. Van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is voldoende gebleken. De verhouding tussen partijen is sinds begin dit jaar ernstig verstoord, en nog verder verslechterd na het incident op 16 april 2026, waarbij [gedaagde] [eiseres] de toegang tot de woning heeft ontzegd. [eiseres] wil graag terugkeren in haar woning, maar niet zolang [gedaagde] daar verblijft. Ook uit de stellingen van [gedaagde] ter zitting over hoe hij het gedrag van [eiseres] ervaart, kan worden afgeleid dat het niet wenselijk is dat partijen de komende tijd samen in de woning verblijven.
4.3.
Nu vaststaat dat de woning eigendom is van [eiseres] en zij [gedaagde] niet langer toestemming geeft om in de woning te wonen, verblijft [gedaagde] daarin op dit moment zonder recht of titel. Hij zal de woning daarom moeten verlaten. De vraag is welke termijn hij daarvoor dient te krijgen. [eiseres] vordert dat [gedaagde] de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis verlaat. [gedaagde] wenst een langere termijn te krijgen. Hiertoe dient een belangenafweging te worden gemaakt.
4.4.
Alhoewel [gedaagde] de stellingen van [eiseres] over het verleden en zijn (recentere) gedrag heeft betwist, is er een aantal feiten en omstandigheden die bij deze belangenafweging als vaststaand in aanmerking kunnen worden genomen.
4.5.
[gedaagde] is tijdens zijn jeugd in opdracht van de Jeugdbescherming in een open en in een gesloten instelling opgenomen geweest. Sindsdien woont hij bij [eiseres] , ook nu hij meerderjarig is. Medio 2025 heeft [gedaagde] een aantal weken dagbehandeling/dagbesteding gehad. Hierop is geen vervolg gekomen in die zin dat [gedaagde] tot op heden geen baan of dagbesteding heeft. Hij heeft ook geen uitkering aangevraagd. Hij heeft momenteel dus geen financiële middelen. [gedaagde] aanvaardt op dit moment geen hulp, ondanks de dringende adviezen daartoe van [eiseres] . Verder staat vast dat er op 16 april 2026 een incident is geweest, waarbij [gedaagde] [eiseres] de toegang tot de woning heeft ontzegd. De toegang tot de woning was ook belemmerd toen [eiseres] kort daarna onder begeleiding van de politie enkele persoonlijke spullen wilde ophalen. [eiseres] beschikt sindsdien enkel over deze goederen en zij verblijft tijdelijk elders.
4.6.
Mede gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, gaat de voorzieningenrechter er bij de belangenafweging aan de zijde van [eiseres] vanuit dat zij op dit moment uitgeput en overbelast is en dat het voor haar van belang is om in haar eigen woning tot rust te komen. Dit is met name relevant, omdat [eiseres] een dienstbetrekking heeft en haar werk naar behoren moet kunnen blijven uitoefenen om deze dienstbetrekking te kunnen behouden.
4.7.
[gedaagde] heeft er daartegenover belang bij om langer in de woning te blijven wonen, omdat hij geen andere plek heeft om te verblijven. Hij heeft geen financiële middelen en geen netwerk en stelt dat hij daarom dakloos zal worden als hij de woning moet verlaten.
4.8.
Gelet op de belangen over en weer acht de voorzieningenrechter de door [eiseres] gevorderde ontruimingstermijn van vijf dagen na betekening van dit vonnis toewijsbaar. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede in aanmerking genomen dat [gedaagde] desgevraagd heeft verklaard nog niet te hebben onderzocht wat de mogelijkheden zijn als hij de woning moet verlaten. [gedaagde] wenst weliswaar een langere termijn te krijgen om in de woning te blijven wonen dan de gevorderde termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis, maar hij heeft niet geconcretiseerd wat hij in die tijd wil gaan ondernemen om te voorkomen dat hij dakloos wordt. [gedaagde] heeft wel gesteld dat hij op zoek is naar werk en dat hij een opleiding zou willen volgen, maar dat heeft hij niet nader toegelicht. Het bepalen van een langere termijn lijkt dus aan de zijde van [gedaagde] enkel te zullen leiden tot uitstel van de (nu al bekende) gevolgen van zijn vertrek uit de woning. Aan de zijde van [eiseres] zou verder uitstel echter kunnen leiden tot ernstige gevolgen, zoals voor haar psychische gesteldheid en haar inkomen. Gelet op het voorgaande geeft de voorzieningenrechter [gedaagde] dringend in overweging om te proberen de door hem geschetste gevolgen te voorkomen door hulp te aanvaarden van de daartoe bestemde instanties.
4.9.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde machtiging om dit vonnis zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie ook toewijzen. Voor toewijzing van de vordering om een dwangsom aan de veroordeling te verbinden is dan geen aanleiding.
4.10.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring op de minuut heeft [eiseres] geen belang omdat van het onderhavige vonnis een grosse wordt verstrekt.
4.11.
In de familierechtelijke aard van het geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en daarin niet terug te keren c.q. niet verder te betreden, met machtiging van [eiseres] om dit vonnis zo nodig zelf ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
ts