ECLI:NL:RBDHA:2026:12957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.18672
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 5 maart 2026, waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift geen gronden bevatte, wat een vereiste is op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Eiser kreeg op 3 april 2026 de gelegenheid om binnen vier weken alsnog de gronden in te dienen, met de waarschuwing dat het beroep anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven.

Vervolgens verzocht de rechtbank op 4 mei 2026 eiser om binnen vijf werkdagen aan te geven of er een verschoonbare reden was voor het niet indienen van de gronden. Ook hierop bleef een reactie uit. De rechtbank concludeerde dat het verzuim niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18672

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Als niet is voldaan aan dit vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
2. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. De rechtbank heeft hem op 3 april 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen binnen een termijn van vier weken. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er zijn geen gronden ingediend. De rechtbank heeft daarom op 4 mei 2026 aan eiser verzocht om binnen vijf werkdagen mede te delen of hiervoor een verschoonbare reden is. Ook hierop heeft eiser niet gereageerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 19 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.