Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12922

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.8575 en NL26.8576
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vw 2000Art. 30a Vw 2000artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring herhaalde asielaanvraag uit Bangladesh

Eiser, een Bengaalse nationaliteit dragende persoon, diende op 16 januari 2026 een herhaalde asielaanvraag in met nieuwe documenten uit Bangladesh die een levenslange gevangenisstraf en arrestatiebevelen tegen hem zouden onderbouwen. Verweerder verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat de stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten en twijfelde aan de authenticiteit en consistentie van de documenten.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 16 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat verweerder de stukken inhoudelijk had beoordeeld en dat de bezwaren tegen de authenticiteit en de tegenstrijdigheden in de stukken terecht waren meegewogen. Er was geen aanleiding voor nader deskundigenonderzoek.

Verder overwoog de rechtbank dat het opleggen van het inreisverbod rechtmatig was en dat de maatregel van bewaring niet aan de orde was in deze procedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de herhaalde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.8575 en NL26.8576
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 16 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en verzoek om voorlopige voorziening op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Bengaalse nationaliteit. Eiser heeft na de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag stukken uit Bangladesh ontvangen. Eiser heeft vervolgens een herhaalde aanvraag ingediend en beoogt met de stukken te onderbouwen dat dat hij tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld in Bangladesh en dat er nog twee arrestatiebevelen tegen hem openstaan. Met het overleggen van het vonnis, de arrestatiebevelen en de aanklachten, wil eiser onderbouwen wat hij in zijn eerste asielprocedure heeft verklaard.
3. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. [1] De door eiser overgelegde stukken zijn door Bureau Documenten als neutraal beoordeeld, waarbij de technische staat en inhoud niet op authenticiteit kunnen worden geverifieerd. Daarnaast zijn de verklaringen van eiser over het verkrijgen van de documenten te algemeen en summier om de authenticiteit van de documenten te verifiëren. Ook staat in de stukken dat eiser een leidende rol had binnen de [partij] partij, terwijl hij heeft verklaard geen formele rol te hebben vervuld. De stukken zijn ook onderling tegenstrijdig, nu de stukken zowel vermelden dat eiser een leidende rol had, als dat hij Publicity Secretary is van de partij. Ook zijn er verschillende leeftijden van eiser op de stukken vermeld. Ten slotte heeft verweerder tegengeworpen dat het voor eisers eigen rekening en risico komt dat hij de stukken niet eerder heeft kunnen overleggen. De stukken vormen volgens verweerder geen onderbouwing van het asielmotief van eiser en daarom is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.
3.1.
In de besluitvorming heeft verweerder ook tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop zijn moeder de documenten verkreeg. Ter zitting heeft verweerder dit laten vallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de overgelegde stukken geen nieuwe feiten en omstandigheden vormen. De stukken hebben rechtstreeks betrekking op zijn asielmotieven en hadden in samenhang beoordeeld moeten worden met de verklaringen van eiser. Verweerder heeft zich ten onrechte beperkt tot een oordeel over (het ontbreken van volledige zekerheid over) de authenticiteit van de documenten en handelt daarmee in strijd met arrest LH. [2] De vraag is immers niet of de documenten onomstotelijk echt zijn, maar of zij in samenhang met de eerdere verklaringen aanleiding geven tot een andere beoordeling. Eiser voert daarbij ook aan dat uit landeninformatie blijkt dat aanhangers van [partij] worden gedetineerd en mishandeld. Er is sprake van serieuze aanwijzingen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. [3] Verweerder heeft verder de onderzoeksplicht geschonden door de overgelegde stukken enkel vanwege verificatieproblemen terzijde te schuiven. Verweerder had over moeten gaan op deskundigenonderzoek. [4] Ten slotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen proportionaliteitstoets heeft gemaakt van het inreisverbod en de voortduring van de maatregel van bewaring. Eiser maakt namelijk geen misbruik van de asielprocedure.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Mocht verweerder vinden dat de stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Uit de besluitvorming en de ter zitting geboden toelichting blijkt dat verweerder de stukken inhoudelijk heeft beoordeeld en niet – zoals door eiser gesteld – enkel beschouwing heeft gelaten vanwege de conclusies over (het uitblijven van uitsluitsel over) de authenticiteit van de stukken. Zo heeft verweerder mogen vinden dat de stukken afwijken van de verklaringen van eiser, nu de stukken vermelden dat eiser een rol had binnen de partij. Verweerder heeft ook terecht betrokken dat de stukken verschillende leeftijden van eiser vermelden en eiser daar geen duidelijke uitleg voor kan geven.
6.1.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat verweerder nader (deskundigen)onderzoek naar de documenten moet doen of had moeten laten doen. De documenten zijn immers betrokken en inhoudelijk beoordeeld door verweerder. Verweerder heeft kenbaar gemotiveerd waarom de documenten gelet op hun inhoud geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen. Met andere woorden: verweerder heeft kenbaar gemotiveerd dat de documenten niet alléén vanwege de conclusie over de authenticiteit geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen.
7. De rechtbank overweegt ten slotte dat nu verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk kon verklaren, verweerder ook het inreisverbod heeft mogen opleggen. Verweerder heeft in de besluitvorming toepassing gegeven aan artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Het inreisverbod is dus – anders dan eiser veronderstelt – niet alleen opgelegd vanwege de niet-ontvankelijkheidsverklaring. De beroepsgrond over het voortzetten van de maatregel van bewaring kan overigens niet aan de orde komen in deze beroepsprocedure.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Arrest LH van het Europese Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
3.Zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
4.Eiser verwijst daarbij naar het arrest Barouk van het Europese Hof van Justitie van 3 april 2025, ECLI:EU:C:2025:236.