Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.12162 en NL26.12163
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid verkrachtingsclaim en asielmotieven

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, diende op 10 februari 2026 een asielaanvraag in met als grondslag een verkrachting in 2020 en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 25 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser wisselende verklaringen gaf en onvoldoende geloofwaardig was over de bedreigingen en de verspreiding van een video.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 april 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks dat aanvullende gronden laat werden ingediend. De rechtbank vond dat verweerder terecht de ongeloofwaardigheid van de verkrachtingsclaim en de asielmotieven had vastgesteld, mede vanwege het ontbreken van een paspoort, het langdurig verblijf in Marokko na het incident, en tegenstrijdige verklaringen.

De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J. Holleman en griffier M.E. Jans. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12162 en NL26.12163
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

[V-nummer],
(gemachtigde: mr. F. Lavell),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 10 februari 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en verzoek om voorlopige voorziening op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2020 in Marokko is verkracht nadat hij had geweigerd drugs te handelen. Zijn verkrachter heeft daar een video van opgenomen en eiser heeft daardoor problemen gehad en is bedreigd.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen gerelateerd aan het incident in 2020.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig [1] dat eiser in 2020 is verkracht en daardoor problemen heeft ervaren. Eiser heeft zijn paspoort niet overgelegd bij de asielaanvraag, hij heeft niet eerder dan pas vlak voor zijn uitzetting een asielaanvraag gedaan en heeft in (vertrek)gesprekken en bij de beroepszittingen over zijn bewaring aangegeven dat hij geen bezwaren heeft om terug te keren naar Marokko. Eisers verklaringen over zijn gestelde problemen zijn wisselend en niet samenhangend. Eiser heeft in eerdere gesprekken aangegeven dat hij Marokko had verlaten omdat een vrouw zwanger van hem is geraakt en hij daardoor familieproblemen kreeg. Uit zijn verklaringen in het nader gehoor volgt bovendien dat hij meerdere jaren na de verkrachting zonder problemen in Marokko heeft verbleven en dat eiser al sinds 2021 niets meer heeft gehoord van de daders. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eiser niet kan verklaren door wie hij is bedreigd en van wie hij problemen verwacht. Ten slotte heeft verweerder tegengeworpen dat eiser zowel heeft verklaard dat de video nooit is gedeeld, als dat de video in de buurtapp is verspreid. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte vindt dat het niet geloofwaardig is dat hij is verkracht en daardoor problemen heeft ervaren in Marokko. Verweerder betrekt ten onrechte bij de beoordeling dat eiser geen paspoort heeft overgelegd. Ook heeft verweerder miskend dat eiser zich schaamde en daarom pas bij zijn asielaanvraag heeft durven verklaren over de verkrachting. Verder is eiser onvoldoende bevraagd naar de personen die hem bedreigden en heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser na de verkrachting nog vier jaar in Marokko heeft verbleven. De aanvraag van eiser is dan ook ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Is het beroep ontvankelijk?
6. De rechtbank heeft eiser middels een brief ‘mededelen verzuim’ verzocht om uiterlijk op 10 april 2026 de gronden van het beroep in te dienen. Eiser heeft op 15 april 2026 – één dag voor de behandeling ter zitting – aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu de gronden van beroep niet binnen de daarvoor gesteld termijn zijn ingediend.
6.1.
De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is. In het beroepsschrift van 4 maart 2026 heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de problemen die samenhangen met de verkrachting van eiser ongeloofwaardig zijn. De rechtbank vat dit op als een beroepsgrond. [3] Hoewel summier, bevat deze zin namelijk een concrete reden waarom eiser zich niet met het besluit kan verenigen en kan verweerder daar verweer tegen voeren. [4] Het beroep is ontvankelijk.
Mocht verweerder vinden dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is?
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiser is verkracht en daarna problemen heeft ervaren met de daders en de maatschappij. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen paspoort heeft overgelegd. Verweerder heeft hier ook bij mogen betrekken dat eiser na de verkrachting nog vier jaar in Marokko heeft verbleven en dat hij eerder (desgevraagd) niet heeft verklaard te vrezen bij terugkeer naar Marokko. [5] Verweerder heeft ook mogen tegenwerpen dat eiser niet duidelijk heeft weten te maken wie hem heeft bedreigd. De rechtbank ziet niet in dat eiser onvoldoende in de gelegenheid zou zijn gesteld om daarover te verklaren. Ten slotte volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat eiser zich schaamt en hij daarom niet eerder over de verkrachting durfde te verklaren. Verweerder heeft terecht gewezen op het feit dat eiser al langere tijd in Nederland is en al langere tijd rechtsbijstand heeft gehad. Verweerder wijst er ook wederom terecht op dat eiser eerder [6] heeft verklaard dat hij niet te vrezen heeft in Marokko en vervolgens heeft verklaard over wisselende asielmotieven. De beroepsgronden slagen niet.
7.1.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn stelling dat zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, f, en h.
3.Zoals bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3.
5.Waaronder bij gehoren die plaatsvonden in het kader van de bewaringsmaatregel(en) en in meerdere vertrekgesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek.