ECLI:NL:RBDHA:2026:12894
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning familieleven wegens onvoldoende medische en belangenafweging
Eiseres, afkomstig uit Argentinië, heeft sinds 2006 met tussenpozen in Nederland verbleven en vroeg een reguliere verblijfsvergunning aan om bij haar zoon, schoondochter en twee minderjarige kleinkinderen te wonen. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiseres uitviel.
De rechtbank constateert dat eiseres lijdt aan dementie, een progressieve ziekte, waarvan de situatie verslechterd is sinds het bestreden besluit. Verweerder had daarom meer onderzoek moeten doen, waaronder het aanvragen van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) en het opnieuw horen van eiseres. Tevens is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de minderjarige kleinkinderen, waarbij de impact van het vertrek van eiseres op hen niet adequaat is gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de medische situatie en belangen van de minderjarige kleinkinderen.