Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
09/021350-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor twee winkeldiefstallen met geweld en drie vernielingen in Delft

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor twee winkeldiefstallen met geweld en drie vernielingen gepleegd in Delft in januari 2026. De feiten betroffen diefstal van winkelgoederen bij Albert Heijn To Go, waarbij winkelmedewerkers werden aangevallen, en vernieling van ruiten en een autoruit.

Het bewijs bestond uit aangiften, verhoren, camerabeelden en getuigenverklaringen. De verdachte werd herkend op camerabeelden en door getuigen. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en verklaarde de verdachte strafbaar.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte en een reclasseringsadvies dat een hoog recidiverisico en psychiatrische problematiek signaleerde. De straf werd verminderd wegens een ziekelijke stoornis, maar toch opgelegd tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden grotendeels toegewezen, met schadevergoedingen variërend van enkele honderden tot ruim tweeduizend euro, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd veroordeeld tot betaling aan de benadeelden en de Staat, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en betaling van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/021350-26
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Verstek
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 15 januari 2026 te Delft, een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn To Go, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever 1] vast te pakken en/of
- die [aangever 1] te duwen en/of aan die [aangever 1] te trekken, ten gevolge waarvan
die [aangever 1] ten val kwam en/of
- die [aangever 1] te duwen;
2
hij, op of omstreeks 19 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Kessler Perspektief Spoorsingel, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3
hij, op of omstreeks 9 januari 2026 te Delft, een of meerdere blikjes Red Bull, althans een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn To Go, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever 2] vast te pakken en/of
- die [aangever 2] eenmaal of meermalen te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangever 2] met een blikje Red Bull te slaan tegen de linkerhand, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangever 2] te duwen en/of
- een of meerdere slaande en/of schoppende bewegingen te maken in de richting van die [aangever 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 9 januari 2026 te Delft,ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om een of meerdere blikjes Red Bull, althans een of meerdere winkelgoederen in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn To Go, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [aangever 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- die [aangever 2] vast heeft gepakt en/of
- die [aangever 2] eenmaal of meermalen heeft geslagen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangever 2] met een blikje Red Bull heeft geslagen tegen de linkerhand, althans tegen het lichaam en/of
- die [aangever 2] heeft geduwd en/of
- een of meerdere slaande en/of schoppende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [aangever 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij, op of omstreeks 7 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Kessler Perspektief Spoorsingel, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5
hij, op of omstreeks 5 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde.
3.2.
Gebruikte bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026012059, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 107).
Ten aanzien van feiten 2 en 4:
De rechtbank zal voor de feiten 2 en 4 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 97, 99);
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] namens KesslerPerspektief, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 76-77);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] namens KesslerPerspektief, opgemaakt op 7 januari 2026 (p. 33-34).
Ten aanzien van feiten 1, 3 primair en 5:
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de
bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 15 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 63-64):
Pleegdatum: 15 januari 2026.
Vandaag was ik aan het werk bij de AH to Go op het stationsplein van Delft.
Ik zag dat de man de winkel inging en twee blikjes pakte. Toen pakte de man een chocolade reep, een donut en een koek. Ik zag dat de man toen wilde afrekenen bij de zelfscan. Ik zag dat hij enkel op start drukte en ik zag dat hij de boodschappen in zijn zakken deed. Toen liep de man richting de uitgang waar ik stond. Ik sprak de man aan en vroeg of hij de boodschappen gewoon af wilde rekenen. De man zei dat hij had betaald. Normaal bij alcohol gaat er een alarm af vanwege de leeftijdscheck. Dit was niet gebeurd dus ik weet zeker dat hij niet heeft afgerekend.
De man wilde vervolgens langs mij lopen maar ik bleef ervoor staan. Hij liep een soort tegen mij aan waardoor ik naar achteren werd gedwongen tot aan de deur. Hierop heeft de man mij beetgepakt en de winkel in gegooid. Ik kwam hierbij op de grond terecht. Ik viel op mijn linkerzijde. Mijn hoofd, schouder, heup en elleboog doen zeer. Ik ben direct opgestaan om achter de man aan te gaan. In de draaideur van het station kon ik één van de blikjes van hem afpakken. Toen kreeg ik weer een duw en hield hij de deur tegen.
Naderhand kwam ik terug in de winkel en hoorde ik van een collega dat dezelfde man eerder deze week ook een collega van mij heeft mishandeld. Hier is toen ook aangifte van gedaan.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 72-73):
Dit onderzoek kwam tot stand nadat er op 15 januari 2026 aangifte was gedaan van
diefstal met bedreiging en geweld. Tijdens dit incident sprak een Albert Heijn
medewerker een klant aan waarna er een handgemeen ontstond. Voor mijn onderzoek bekeek ik beelden van een beveiligingscamera welke door de Albert
Heijn waren aangeleverd.
Om 01:38 zag ik degene die ik herkende als de verdachte. Ik zag dat deze persoon de winkel in liep. Om 02:07 zag ik dat de verdachte vanaf de rechterkant het beeld in kwam lopen voor de kopse kant van de winkelstellage langs. Ik zag dat de verdachte in beiden handen voorwerpen vast had.
Om 03:02 zag ik dat de aangeefster in de deurpost was gaan staan aan de linkerkant en zo fysiek de verdachte de weg versperde. Ik zag dat de verdachte hierop fysiek contact maakte met de aangeefster door haar met zijn rechterhand in de buik, te hoogte van het middenrif, te duwen.
Om 03:05 zag ik dat de verdachte een flinke stap achteruit deed met zijn rechter been.
Ik zag dat de verdachte de aangeefster plots achteruit meesleurde. Ik zag dat de
verdachte de rechterarm van de aangeefster vast had bij de ellenboog. Ik zag dat de
verdachte het slachtoffer met zijn rechterhand vast had bij haar vest ter hoogte van
haar middenrif.
Om 03:06 zag ik dat de verdachte de aangeefster dusdanig hard meegesleurd had waardoor zij ten val kwam, Ik zag de aangeefster op de grond vallen op haar linker
schouder. Ik zag dat zij met zoveel voorwaartse kracht gegooid werd dat zij eenmaal op de grond doorschoof en enkele momenten onderin uit beeld verdween.
Om 03:07 zag ik de verdachte de drempel van de winkel passeren en de winkel verlaten.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 9 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 45-46):
Pleegdatum: 9 januari 2026
Ik, [aangever 2] , werk bij de Albert Heijn To Go op het stationsplein 11 te Delft.
Ik was bezig met het schoonmaken van de vloer met de schroobmachine. Toen ik bezig was met het schoonmaken, zag ik dat er een man de winkel in kwam lopen
Ik zag dat hij liep naar de koelkast en twee blikjes Red Bull pakte. Ik ging toen voor de deur staan. Ik zag dat de man mijn kant op kwam lopen richting de deur. Ik vertelde de man dat hij de blikjes moest afrekenen of de blikjes moest terug leggen. Ik zag dat hij mij vastpakte bij mijn vest op borst hoogte met zijn rechterhand. Ik zag dat hij met zijn linkerhand een vuist maakte en slaande beweging maakte richting mijn gezicht. Ik voel nu een bonzende pijn aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik zie dat mijn gezicht aan de linkerzijde opgezwollen en verkleurd is.
Daarna zag ik dat hij met een van zijn handen het red bull blikje pakte. Ik zag dat hij met het blikje Red Bull een slaande beweging maakte op mijn hand. Hierdoor heb ik pijn in mijn linkerhand.
Vervolgens duwde de man mij weg richting de uitgang van de winkel. Ik zag dat hij daarna rennend het station verliet.
Ik heb enig vermoeden wie het is, aangezien er eerder een winkelverbod is uitgereikt aan de man. Ik heb het vermoeden dat [verdachte] de verdachte is.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 55-56):
Dit onderzoek kwam tot stand nadat er op 9 januari 2026 aangifte was gedaan van
eenvoudige mishandeling. Tijdens dit incident sprak een Albert Heijn medewerker een klant aan waarna er een handgemeen ontstond. Voor mijn onderzoek bekeek ik beelden van een beveiligingscamera welke door de Albert Heijn waren aangeleverd.
Ik zag dat er een 2-tal mensen zeer dicht met hun gezichten op elkaar staat hierna te noemen NN1 en NN2. Vanaf het eerste frame zag ik dat NN1 en NN2 elkaar gedurende 4 seconden bij de revers vasthebben en zo rond bewegen in beeld.
Om 0:05 zie dat de rechterarm van NN1 en de linkerarm van NN2 elkaars revers loslaten. Ik zag dat NN1 zijn hand balt tot een vuist en een slaande schuinbeweging maakte richting NN2. Ik zag niet dat NN2 hierdoor geraakt werd. Om 0:07 zag ik dat NN1 een schoppende beweging maakte richting NN2.
5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 50):
Op 9 januari 2026 was ik aan het werk bij de Albert Heijn To Go aan het Stationsplein in Delft. Ik zag dat mijn collega, [aangever 2] , een man aansprak die net de winkel in was gelopen.
Ik zag dat de man langs [aangever 2] wilde lopen en dat dit niet lukte. Ik zag toen wat duw- en trekwerk van beide kanten. Ik zag toen dat de man met gebalde vuist twee keer [aangever 2] op zijn oog sloeg. Ik zag dat het op de plek waar [aangever 2] was geslagen meteen rood/paars werd.
6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 6 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 13):
Plaats delict: [adres 2] .
Pleegdatum: 5 januari 2026.
Autoruit is ingegooid met een baksteen.
7. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever 3] , opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 15):
A: Ik was aan het werk op 5 januari. Ik was samen met mijn collega en toen zag ik dat mijn ruit was ingegooid door een baksteen die ik ook in mijn auto aantrof. Mijn auto stond geparkeerd op [adres 2] . En daar had de bewoner van het huis waar mijn auto stond een deurbelcamera. Ik heb aangebeld en gevraagd of zij beelden had voor mij. Die had zij dus ik weet ook wie het is.
V: En wie is het dan?
A: Dhr. [verdachte] .
V: Waar herkende je de heer [verdachte] aan?
A: Je herkent hem gewoon aan zijn uiterlijk en houding. Ook aan zijn kleding en zijn muts. Hij heeft 9 van de 10 keer dezelfde kleding aan. Ook aan zijn houding het is niet iemand die je niet ziet.
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 22):
Op maandag 19 januari 2026 was ik, verbalisant [verbalisant] , met opsporingswerkzaamheden belast en deed ik onderzoek naar een vernieling van een auto gepleegd op 5 januari 2026 gelegen aan [adres 2] . Ik zag dat er een camerabeeld van deze vernieling geplaatst waren in de beschikbare politiesystemen. Op de camerabeelden zie ik een persoon die in uiterlijke kenmerken overeenkomsten vertoont met de verdachte [verdachte] . Op 19 januari 2026 hoorde ik [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995, als verdachte. De persoon die zichtbaar is op de camerabeelden vertoont overeenkomsten in postuur, lengte en uiterlijke kenmerken van de verdachte, zoals zijn getinte huidskleur en baardgroei (sikje).
Ik heb hierna de camerabeelden onder de volgende registraties bekeken:
PL1500-2026005907 ' vernieling auto 5 januari
PL1500-2026009476 ' winkeldiefstal 9 januari
PL1500-2026016460 ' winkeldiefstal 15 januari
Ik zie op de camerabeelden van alle bovengenoemde registratienummers dat de persoon die in beeld is, dezelfde broek, beigekleurige veterschoenen en jas draagt. Ik zie dat de broek een lichte broek betreft met opvallende donkergekleurde scheuren ter hoogte van de knie. De jas is een donkerblauwe parkajas. Ik zie dat de persoon dezelfde gelaatskenmerken heeft op alle bovenstaande camerabeelden.
Op de camerabeelden van de winkeldiefstal met geweld onder registratienummer
2026016460 herken ik de verdachte als zijnde [verdachte] . Ik herken hem aan zijn
postuur, lengte en uiterlijke kenmerken van de verdachte, zoals zijn getinte
huidskleur en baardgroei (sikje).
Aangezien de verdachte op alle bovenstaande camerabeelden dezelfde samenstelling van kleding en daarnaast overeenkomende gelaatskenmerken heeft, vermoed ik dat de persoon op alle beschikbare camerabeelden [verdachte] is.
3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij, op 15 januari 2026 te Delft, meerdere winkelgoederen, die aan de Albert Heijn To Go, toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen winkelmedewerker [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever 1] vast te pakken en
- die [aangever 1] te duwen en aan die [aangever 1] te trekken, ten gevolge waarvan
die [aangever 1] ten val kwam en
- die [aangever 1] te duwen;
2
hij, op 19 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, die aan een ander, te weten aan KesslerPerspektief Spoorsingel,
toebehoordenheeft vernield;
3
hij, op 9 januari 2026 te Delft, meerdere blikjes Red Bull, die aan de Albert Heijn To Go, toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen winkelmedewerker [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [aangever 2] vast te pakken en
- die [aangever 2] meermalen te slaan tegen het hoofd, en
- die [aangever 2] met een blikje Red Bull te slaan tegen de linkerhand, en
- die [aangever 2] te duwen en
- meerdere slaande en schoppende bewegingen te maken in de richting van die [aangever 2] ;
4
hij, op 7 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten, die aan een ander, te weten aan KesslerPerspektief Spoorsingel,
toebehoordenheeft vernield;
5
hij, op 5 januari 2026 te Delft, opzettelijk en wederrechtelijk een
autoruit, die aan een ander, te weten aan [aangever 3] , toebehoorde
,heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdspanne van twee weken schuldig gemaakt aan twee diefstallen met geweld en drie vernielingen. De diefstallen met geweld vonden beide plaats in dezelfde Albert Heijn To Go waarbij de verdachte – toen hij werd betrapt op het stelen van de goederen en niet weg kon komen – beide keren besloot de winkelmedewerkers aan te vallen. Hij heeft daarbij winkelmedewerkster [aangever 1] geduwd en op de grond gegooid en winkelmedewerker [aangever 2] vastgepakt, geduwd en geslagen met zijn hand en met een blikje. De verdachte heeft daarbij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de winkelmedewerkers, die op dat moment hun werk aan het uitoefenen waren en dit ook moeten kunnen doen zonder dat er geweld tegen hen wordt gebruikt. Winkeldiefstal is daarnaast een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
De verdachte heeft bij de vernielingen de ruiten van de stichting waar hij wel eens overnacht en de autoruit van een medewerker van deze stichting met stenen ingegooid. Dergelijke feiten leiden tot financiële schade en veroorzaken daarnaast overlast en hinder voor de betrokkenen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van een hoog risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden. De reclassering ziet bij de verdachte problematiek op vrijwel alle leefgebieden. Tevens volgt uit het advies dat bij de verdachte schizofrenie is gediagnosticeerd en trauma gerelateerde problematiek. De reclassering adviseert echter bij veroordeling van de verdachte aan hem geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat geen mogelijkheden worden gezien om met toezicht en begeleiding in een voorwaardelijk kader deze risico’s in te perken of gedragsverandering te bewerkstelligen.
Toerekenbaarheid
Op basis van het dossier en het reclasseringsadvies acht de rechtbank aannemelijk dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, welke ook bestond tijdens het begaan van de feiten. De rechtbank zal de bewezenverklaarde feiten daarom in verminderende mate aan de verdachte toerekenen.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, de eis van de officier van justitie passend en geboden, en legt op een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 82 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 779,95, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 29,95 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Stichting KesslerPerspektief heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.062,82, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.178,69, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 328,69 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade.
[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 176,64, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
De vordering is door de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 779,95, bestaande uit € 29,95 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 15 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 779,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .
De vordering van de benadeelde partij Stichting KesslerPerspektief
De vordering is door de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.062,82, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de bedragen van € 797,81 en € 427,67 (totaal € 1.225,48) toewijzen met ingang van 7 januari 2026, en ten aanzien van het bedrag van € 837,34 toewijzen met ingang van 19 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder 2 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.225,48, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 januari 2026 en € 837,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 januari 2026, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van Stichting KesslerPerspektief.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
Materiële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘kosten psycholoog’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat deze post rechtstreeks geleden schade is door het onder 3 bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘taxikosten’, is door de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade toewijzen.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 910,-, bestaande uit € 60,- aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 910,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]
De vordering is door de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 5 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 176,64, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 5 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 176,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 312, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van feit 3, primair:
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
ten aanzien van feit 4:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van feit 5:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
82 (TWEEËNTACHTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 779,95 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangever 1] ;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 779,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 januari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij Stichting KesslerPerspektief;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 2.062,82 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover ten aanzien van het bedrag van € 1.225,48 vanaf 7 januari 2026, en ten aanzien van het bedrag van € 837,34 vanaf 19 januari 2026, beide tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan Stichting KesslerPerspektief;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van Stichting KesslerPerspektief;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.062,82, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.224,48 vanaf 7 januari 2026, en over een bedrag van € 837,34 vanaf 19 januari 2026, beide tot de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van Stichting KesslerPerspektief;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 910,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangever 2] ;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 910,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 176,64 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangever 3] ;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 176,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 januari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. dr. C. Hofman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2026.