Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12840

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
09/018446-26 en 09/016381-26 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 138 SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstallen en overtreding winkelverbod met oplegging ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft op 18 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van twee winkeldiefstallen en vier keer overtreden van een winkelverbod bij Albert Heijn in Delft. De feiten vonden plaats in januari 2026, waarbij de verdachte ondanks een schriftelijk opgelegd winkelverbod de supermarkt betrad en goederen wegnam.

Tijdens de terechtzitting op 4 mei 2026 heeft de verdachte bekend. De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer de bekennende verklaring, proces-verbalen van aangiften door medewerkers van Albert Heijn en foto's van winkelontzeggingen. De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en lokaalvredebreuk.

De reclassering bracht een gemotiveerd rapport uit waarin werd gesteld dat de verdachte kampt met een alcoholverslaving, psychosociale problemen en mogelijk neurocognitieve schade. De verdachte heeft geen stabiele woon- of werksituatie en een beperkt sociaal netwerk, wat het risico op recidive verhoogt. De rechtbank achtte de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor twee jaar passend, mede om de verslavingsproblematiek aan te pakken en herhaling te voorkomen.

De rechtbank wees de vordering van het Openbaar Ministerie toe en legde de ISD-maatregel op zonder aftrek van de tijd in voorarrest. Een tussentijdse beoordeling van de maatregel is niet vooraf bepaald, maar kan door de verdediging worden aangevraagd tijdens de tenuitvoerlegging. De verdachte is veroordeeld voor diefstal en wederrechtelijk binnendringen in het besloten lokaal van Albert Heijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor winkeldiefstallen en overtreding winkelverbod, opgelegd is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/018446-26 en 09/016381-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.P. van Rossum naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/018446-26 (hierna: dagvaarding I) en 09/016381-26 (hierna: dagvaarding II):
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij, op of omstreeks 19 januari 2026 te Delft, een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op of omstreeks 19 januari 2026 te Delft, in het besloten lokaal gelegen op/aan de Choorstraat 35, bij de Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 en/of (opnieuw) op 18 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert Hijn ontzegd voor de duur van 12 maanden.
Ten aanzien van dagvaarding II:
1
hij op of omstreeks 18 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
2
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
3
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
4
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Delft winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026020552, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens Albert Heijn, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 13-14);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens Albert Heijn, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 7-8);
4. Het geschrift, te weten een foto van een winkelontzegging van Albert Heijn, ondertekend door de verdachte en gedateerd op 18 januari 2026 (p. 9);
5. Het geschrift, te weten een foto van een winkelontzegging van Albert Heijn, ondertekend door de verdachte en gedateerd op 16 september 2025 (p. 10).
Ten aanzien van dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026015638, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 51).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Albert Heijn, opgemaakt op 18 januari 2026 (p. 34);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens Albert Heijn, opgemaakt op 13 januari 2026 (p. 27-28);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] namens Albert Heijn, opgemaakt op 14 januari 2026 (p. 19);
5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] namens Albert Heijn, opgemaakt op 14 januari 2026 (p. 16).
6. Het geschrift, te weten een foto van een winkelontzegging van Albert Heijn, ondertekend door de verdachte en gedateerd op 16 september 2025 (p. 39).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
1
hij, op 19 januari 2026 te Delft, meerdere winkelgoederen, die aan Albert Heijn, toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij, op 19 januari 2026 te Delft, in het besloten lokaal gelegen aan de Choorstraat 35, bij Albert Heijn in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 en (opnieuw) op 18 januari 2026 schriftelijk de toegang tot die Albert
Heijnontzegd voor de duur van 12 maanden.
Ten aanzien van dagvaarding II:
1
hij op 18 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn in gebruik
,wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
2
hij op 12 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn in gebruik
,wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
3
hij op 13 januari 2026 te Delft in het besloten lokaal supermarkt bij Albert Heijn in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 16 september 2025 schriftelijk de toegang tot die supermarkt ontzegd voor de duur van 12 maanden;
4
hij op 12 januari 2026 te Delft winkelgoederen, die aan Albert Heijn, toebehoorden
,heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlasteleggingen type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de ISD-maatregel wordt opgelegd, deze maatregel er mede toe moet strekken een bijdrage te leveren aan een oplossing van de verslavings- en andere problematiek van de verdachte. De raadsman heeft verder bepleit dat de duur van het voorarrest bij het opleggen van de ISD-maatregel in mindering moet worden gebracht en dat wordt beslist dat de ISD-maatregel tussentijds wordt beoordeeld.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdspanne van een week schuldig gemaakt aan een veelvoud van strafbare feiten, te weten twee winkeldiefstallen en het vier keer overtreden van een winkelverbod van de supermarkt waar hij de winkeldiefstallen pleegde. Dergelijke strafbare feiten veroorzaken overlast en schade voor winkeliers en de maatschappij. Winkeliers zoals de Albert Heijn worden geconfronteerd met veel diefstallen, waardoor zij extra kosten moeten maken, die doorberekend worden aan de consument.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 maart 2026, waaruit volgt dat hij in betrekkelijk korte tijd vele malen is veroordeeld voor vermogensdelicten en lokaalvredebreuk. Er is sprake van veelvuldige recidive.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het gemotiveerde rapport van de reclassering van 15 april 2026 over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van een ISD-maatregel aan de verdachte. Ter terechtzitting is de reclasseringsmedewerker mevrouw [naam] als deskundige gehoord.
Uit het rapport volgt dat de verdachte (onder meer) strafbare feiten pleegt als gevolg van zijn alcoholverslaving en psychosociaal functioneren. De reclassering acht het een mogelijkheid dat er bij de verdachte sprake is van neurocognitieve schade, waarbij de verdachte mogelijk aan geheugenverlies lijdt. Daarnaast heeft de verdachte geen huisvesting, dagbesteding en inkomen en bevindt hij zich in een negatief sociaal en beperkt steunend netwerk, wat het risico op recidive verhoogt. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering ziet het plegen van de strafbare feiten als een bewuste keuze van de verdachte om hulp te krijgen en klinisch opgenomen te worden, wat de verdachte ter terechtzitting ook heeft bevestigd.
Aan de verdachte is eerder een ISD-maatregel opgelegd die in september 2025 is afgelopen. Tijdens deze ISD-maatregel was er tijdens de extramurale fase sprake van twee terugplaatsingen in de penitentiaire inrichting wegens terugvallen in alcoholgebruik. Daarnaast verliep het ambulante kader na het aflopen van de ISD-maatregel moeizaam. Bij de verdachte is sprake van een hoge mate van onmacht en zijn verslaving staat in die mate op de voorgrond dat dit hem bemoeilijkt in het nakomen van afspraken. Ter terechtzitting heeft de reclasseringsmedewerker verklaard dat zij geen mogelijkheden ziet om met de verdachte te werken in een voorwaardelijk kader.
De reclassering adviseert, gelet op het voorgaande, dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. De verdachte kan op deze manier bij terugvallen of bij het onttrekken aan voorwaarden (tijdelijk) worden teruggeplaatst in de penitentiaire inrichting. De reclassering acht daarbij vanuit deze maatregel een langdurige klinische opname noodzakelijk om onderzoek te doen naar het neurocognitief functioneren en de psychische problematiek van de verdachte en om zo gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Er is een vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel en het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank is van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de verslavingsproblematiek en psychische problemen van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. De maatregel dient als optimale bescherming van de maatschappij, en in dit kader kan de verdachte aan zijn verslavingsprobleem en eventuele andere (mentale) problematiek werken. Gelet op de eerder uitgevoerde ISD-maatregel, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om deze ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en zal zij de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel. De rechtbank ziet – anders dan de verdediging heeft betoogd – geen aanleiding te bepalen dat bij voorbaat een tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel zal plaatsvinden om te kijken of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is. De verdediging kan hierom gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel verzoeken op grond van artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I (09/018446-26);
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
dagvaarding II (09/016381-26);
ten aanzien van feit 1:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
ten aanzien van feit 2:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
ten aanzien van feit 3:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
ten aanzien van feit 4:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. dr. C. Hofman, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2026.