ECLI:NL:RBDHA:2026:12837
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen oplegging en voortduren grensdetentie op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet afgewezen
Eiser, met de Zimbabwaanse nationaliteit, werd op 6 april 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in het kader van het grensbewakingsbelang. Eiser voerde aan dat de maatregel niet had mogen worden opgelegd vanwege psychische en fysieke klachten als gevolg van eerdere mishandeling in Zimbabwe.
De rechtbank oordeelde dat eiser voorafgaand aan de maatregel had verklaard geen bezwaar te hebben en geen bijzondere medische omstandigheden te kennen. Er was geen bewijs van klachten die het opleggen of voortduren van de maatregel onevenredig bezwarend maakten. Daarnaast was de asielaanvraag van eiser op 29 april 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij het voortduren van de maatregel werd gerechtvaardigd.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was opgelegd of voortgezet. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging en voortzetting van de grensdetentie is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.