AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen maatregel van bewaring wegens onttrekkingsrisico ongegrond verklaard
Eiser, van Mozambikaanse nationaliteit, stelde rechtmatig verblijf in Portugal te hebben en betwistte de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van artikel 59 VreemdelingenwetPro 2000. De rechtbank oordeelde dat eiser dit rechtmatig verblijf niet had aangetoond en dat de minister terecht de maatregel oplegde vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
De minister voerde meerdere zware en lichte gronden aan, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het niet naleven van een terugkeerbesluit, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Hoewel één zware grond niet voldoende gemotiveerd was, bleven de overige gronden overeind.
Eiser voerde aan dat het zicht op uitzetting ontbrak en dat de minister niet voortvarend handelde. De rechtbank stelde vast dat de aanvraag voor een laissez passer tijdig was ingediend en dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld. Ook het beroep op de geestestoestand van eiser leidde niet tot een andere uitkomst, omdat geen onrechtmatigheid of onevenredige bezwarendheid was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.25403
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Dogan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Mozambikaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1995.
2. Eiser betoogt dat hij verblijfsrecht heeft in Portugal en dat de bestreden maatregel alleen daarom al niet kon worden opgelegd. In dat verband betwist eiser ook de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers primaire beroepsgrond niet slaagt. Eiser stelt dat hij rechtmatig verblijf heeft in Portugal, maar hij heeft dat op geen enkele wijze aangetoond. Uit het dossier blijkt bovendien dat de minister bij de Portugese autoriteiten navraag heeft gedaan, maar dat eiser daar niet bekend is onder de door hem opgegeven personalia. De minister mocht dus in beginsel toepassing geven aan artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw.
2.2.
In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.3.
De minister heeft ter zitting erkend dat de zware grond 3b niet is voorzien van een dragende motivering. Deze grond kan dus volgens de minister niet worden tegengeworpen. Hij handhaaft de overige gronden van de maatregel.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overige gronden heeft kunnen tegenwerpen. Eiser stelt dat hij verblijfsrecht heeft in Portugal en dat hij daarom vrij mag reizen in de Europese Unie, maar zoals hierboven al is overwogen heeft eiser dat niet aangetoond en beschikt hij niet over een reisdocument. De minister mag hem daarom tegenwerpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij niet uit eigen beweging gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit van 11 maart 2026. Ook mag de minister hem tegenwerpen dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats of over voldoende middelen van bestaan. Deze vier gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Ook eisers subsidiaire beroepsgrond slaagt dus niet.
3. Eiser betoogt verder, zo begrijpt de rechtbank, dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat geen sprake is van voortvarend handelen. Volgens eiser bevat het dossier geen indicaties dat de Mozambikaanse autoriteiten een laissez passer zullen verstrekken.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Uit het dossier blijkt dat de laissez passer-aanvraag op 8 mei 2026 naar de Mozambikaanse autoriteiten is verstuurd. Het enkele feit dat na een week nog niet gereageerd maakt niet dat het zicht op uitzetting nu ontbreekt. De minister handelt ook voldoende voortvarend. Op 6 mei 2026 is immers een vertrekgesprek gevoerd en twee dagen later is de laissez passer-aanvraag verstuurd.
4. Ter zitting heeft eisers gemachtigde gewezen op de geestestoestand van eiser. Hij meent dat de minister daar nader onderzoek naar dient te doen, gelet op de onsamenhangende verklaringen van eiser.
4.1.
Voor zover eiser hiermee betoogt dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is vanwege zijn geestestoestand is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de bewaring daarom onevenredig bezwarend is voor eiser of dat hij niet afdoende geholpen kan worden door de medische dienst in het detentiecentrum. Gelet daarop is de minister er ook niet toe gehouden om op eigen initiatief onderzoek te doen naar eisers geestestoestand.
5. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. [1] Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858, en van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.