ECLI:NL:RBDHA:2026:12829
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens gezinshereniging
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij haar broer, de referent, die een asielvergunning heeft. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij ten onrechte werd aangenomen dat de referent meerderjarig was bij zijn asielaanvraag.
Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit, waarna de minister het besluit introk en beloofde binnen vier weken op het bezwaar te beslissen. De minister nam echter geen besluit binnen de gestelde termijn, waarna verzoekster een voorlopige voorziening vroeg om als houder van een geldige mvv behandeld te worden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire verzoek te verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, maar erkent het spoedeisend belang van verzoekster en twijfelt aan de rechtmatigheid van het besluit. Daarom wijst de voorzieningenrechter het subsidiaire verzoek toe en beveelt de minister binnen twee weken te beslissen; bij uitblijven daarvan moet verzoekster als houder van een geldige mvv worden behandeld.
De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De minister moet binnen twee weken op het bezwaar beslissen, bij uitblijven daarvan wordt verzoekster als houder van een geldige mvv behandeld.