ECLI:NL:RBDHA:2026:1282

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan een overdracht aan een andere lidstaat volgens de Dublinverordening.

Eiser betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat vanwege zijn ernstige medische situatie als hartpatiënt een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast. De rechtbank oordeelde dat geen lichter doeltreffend middel beschikbaar was gezien het significant risico op onttrekking aan toezicht en dat de medische zorg in detentie toereikend was. Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat zijn gezondheid zou verslechteren door bewaring.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en concludeerde dat de maatregel rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2456

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam 2]).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Aan het eind van de behandeling op de zitting heeft de rechtbank zich beraden op het verzoek van eiser om direct uitspraak te doen in verband met de voor diezelfde middag geplande overdracht van eiser aan Duitsland. De rechtbank heeft na beraad het onderzoek gesloten en meegedeeld zich niet in staat te achten op dat moment een gemotiveerde mondelinge uitspraak te doen. Zij heeft partijen wel vast meegegeven dat zij geen aanleiding ziet het beroep gegrond te verklaren en heeft meegedeeld dat zij dit oordeel in een schriftelijke uitspraak zal vastleggen en toelichten.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, tweede en vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden 3a en 3k, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bewaringsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd dan de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij hartpatiënt is en onder behandeling staat van een cardioloog. Zijn medische situatie is dusdanig ernstig dat hij niet in detentie kan verblijven. Ook voert hij aan dat het missen van twee vertrekgesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) niet aan hem te wijten is. Het eerste vertrekgesprek van 23 december 2025 heeft hij gemist omdat hij op dezelfde dag een afspraak had in het ziekenhuis om een echo van zijn hart te maken. Het tweede vertrekgesprek, gepland op oudejaarsdag 2025, heeft eiser gemist omdat hij de uitnodiging te laat heeft ontvangen wegens problemen met de post.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de onder rechtsoverweging 1.1. genoemde dragende zware gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser zonder opgave van reden vooraf of achteraf niet is komen opdagen op de vertrekgesprekken met DT&V. Voor zover eiser stelt dat vreemdelingenbewaring voor hem vanwege zijn medische gesteldheid onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Verder heeft verweerder in de maatregel vermeld dat tijdens de staande houding, de overbrenging naar de plaats van gehoor en tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling een verpleegkundige van de Dutch Medical Group (DMG) aanwezig is geweest. Deze verpleegkundige heeft eiser voor aanvang van het gehoor onderzocht waarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de oplegging van de maatregel van bewaring voldoende kenbaar rekening gehouden met de medische gesteldheid van eiser. Bovendien is er een overdracht gepland van eiser aan Duitsland op 21 januari 2026 en blijkt uit een verklaring in het dossier dat eiser op 19 januari 2026 voor de daaropvolgende vijf dagen ‘fit to travel’ is verklaard door een arts. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.