ECLI:NL:RBDHA:2026:1281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot proceskostenvergoeding wegens late besluitvorming minister
Verzoekster diende een beroep in tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van de minister op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 9 december 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toewijzing van het verzoek passend was. Gezien de lichte aard van de zaak en het beperkte belang hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 op het standaardbedrag uit het Besluit Proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van € 467,- aan proceskosten en het betaalde griffierecht. Er was geen noodzaak tot zitting, en de uitspraak werd openbaar gedaan op 20 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van € 467,- aan proceskosten en het griffierecht.