ECLI:NL:RBDHA:2026:12783

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/09/690725
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 6:101 BWArt. 6:217 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst wegens tekortkoming en verzuim aannemer

Eisers en gedaagde sloten een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing van een woning met een aanneemsom van circa €188.713. Gedaagde staakte zijn werkzaamheden op 7 juni 2023 en ondernam geen concrete stappen om deze te hervatten, waardoor hij in verzuim kwam. Eisers stelden de aannemer in gebreke en ontbonden de overeenkomst rechtsgeldig op 9 oktober 2023.

De rechtbank stelde vast dat de aannemer een deel van het werk had uitgevoerd, met een waarde van circa €84.098,21, en veroordeelde hem tot terugbetaling van het verschil van €90.665,19 aan eisers. Daarnaast werd de aannemer veroordeeld tot vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en buitengerechtelijke incassokosten. Vorderingen van de aannemer voor meerwerk en resterende aanneemsom werden afgewezen.

De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van het offertebedrag van de opvolgende aannemer en de schade wegens tijdelijke huur van een vakantiehuis af, omdat geen concrete opleverdatum was overeengekomen. De proceskosten werden aan de aannemer opgelegd. Het verstekvonnis van 9 juli 2025 werd vernietigd en dit vonnis trad in de plaats.

Uitkomst: De aannemer is veroordeeld tot terugbetaling van €90.665,19, vergoeding van redelijke kosten en incassokosten, en de vorderingen van de aannemer zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/690725 / HA ZA 25-746
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
[opposant]h.o.d.n.
[handelsnaam]te [plaats] ,
opposant,
oorspronkelijk gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaten: mrs. L.A.K. Kroneman en D.J.D. van Boven,
tegen

1.[geopposeerde 1] te [woonplaats] ,

2. [geopposeerde 2]te [woonplaats] ,
geopposeerden,
oorspronkelijk eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat: mr. D. Groos.
Partijen worden hierna ‘ [opposant] ’ en ‘ [geopposeerden] c.s.’ genoemd.

1.Samenvatting

1.1.
[geopposeerden] c.s. hebben met [opposant] een aannemingsovereenkomst gesloten ten behoeve van de verbouwing van hun woning. De rechtbank is van oordeel dat [opposant] met betrekking tot deze overeenkomst tekort is geschoten in de nakoming en in verzuim is komen te verkeren, nu hij zijn werkzaamheden heeft neergelegd en niet is gebleken dat hij concrete stappen heeft ondernomen om zijn werkzaamheden te hervatten. Dat betekent dat [geopposeerden] c.s. de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden. [opposant] moet daarom de door [geopposeerden] c.s. gedane aanbetalingen terugbetalen tot een bedrag van € 90.665,19. Daarnaast moet [opposant] de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke incassokosten van [geopposeerden] c.s. vergoeden. De overige vorderingen van [geopposeerden] c.s. worden afgewezen.
1.2.
Aangezien [geopposeerden] c.s. de aannemingsovereenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden, hoeven zij de laatste aanbetalingsfactuur, de resterende aanneemsom en het door [opposant] gestelde meerwerk, indien en voor zover hij dat in rekening mocht brengen, niet meer te voldoen. De vorderingen van [opposant] worden daarom afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 2 juni 2025 met producties 1 tot en met 41;
  • het verstekvonnis van 9 juli 2025;
  • de verzetdagvaarding tevens houdende eis in reconventie van 15 augustus 2025 met producties 1 tot en met 10;
  • de conclusie van antwoord in reconventie.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026.

3.De feiten

3.1.
Tussen partijen is een aannemingsovereenkomst gesloten voor verbouwing van de woning van [geopposeerden] c.s. door [opposant] . De aanneemsom bedroeg inclusief een deel meerwerk € 188.713,-. Daarvan is door [geopposeerden] c.s. voldaan € 174.763,-.
3.2.
Op 28 april 2023 heeft [opposant] aan [geopposeerden] c.s. een aanbetalingsfactuur van € 15.000,- gestuurd, die door [geopposeerden] c.s. onbetaald is gelaten. Hetzelfde geldt voor het restantbedrag van de aanneemsom van € 5.000,-.
3.3.
Op 3 mei 2023 is tussen partijen een discussie ontstaan over de te verrichten werkzaamheden. Bij e-mail van diezelfde dag berichtte [opposant] aan [geopposeerden] c.s., voor zover van belang:
“Gezien de situatie zoals deze vanmiddag is geëscaleerd als gevolg jullie mededeling dat jullie de openstaande factuur niet willen betalen, deel ik jullie het volgende mede:
  • Werkzaamheden zijn per vanmiddag gestaakt
  • Werkzaamheden zullen niet eerder worden hervat totdat er praktische en financiële overeenstemming is bereikt over:
o Wat de exacte werkzaamheden zijn zoals bedoeld in de eerste offerte
o Extra werkzaamheden buiten de offerte.
o Werkzaamheden die gaandeweg de verbouwing zijn toegevoegd, waaronder, maar niet beperkt tot, plaatsen badkamer, wc beneden, wc boven, extra isolatie i.v.m. subsidieaanvraag, gevelafwerking van zowel voor- als achtergevel, extra metselwerk, uitbreiding elektra, cv aansluiting, enzv.”
3.4.
[opposant] heeft de werkzaamheden hervat op 10 mei 2023.
3.5.
Op 7 juni 2023 is tussen partijen wederom een discussie ontstaan en heeft [opposant] zijn werkzaamheden gestaakt. In een daaropvolgende Whatsappconversatie is, voor zover van belang, het volgende te lezen:
“07-06-2023 13:48 - [geopposeerde 1] : Hierbij zoals eerder afgesproken, de gesprekken zwart op wit: Na een gesprek vandaag, op woensdag 7 juni, waarbij wij graag meer duidelijkheid wilde krijgen over de voortgang en of [opposant] ons enigszins een stip op de horizon kon geven, heeft [opposant] aangegeven de stekker uit onze samenwerking te trekken. Hij heeft toegegeven dat dit project hem te groot is gebleken. Wij hebben meerdere oplossingen geboden om er samen uit te komen, maar [opposant] heeft aangegeven, daar niet naar te willen luisteren of in mee te gaan. Wij zullen daarom juridische stappen moeten gaan zetten.
07-06-2023 13:52 - Aannemer [opposant] Via [naam] : Hierbij meld ik dat vandaag de spanning te hoog is opgelopen. De situatie rondom de verbouwing is grimmiger is geworden door de druk die is ontstaan. Omdat ik alleen ben en mij niet kan verweren heb ik besloten voorlopig de klus te laten voor wat deze is totdat er duidelijkheid is voor zowel [geopposeerde 2] en [geopposeerde 1] als voor mij. Het is spijtig dat deze situatie is ontstaan maar de gevolgen van de situatie zijn voor geen ban beide partijen nog te dragen. Ik ga in overleg.
Dit ter informatief
07-06-2023 13:55 - Aannemer [opposant] Via [naam] : Donderdag zal ik mijn gereedschap op halen.
Jullie willen alle sleutels terug en deze zal ik inleveren.
07-06-2023 15:48 - Aannemer [opposant] Via [naam] : Aan [geopposeerde 2] : je wilde een voorstel doen maar daar wilde ik niet naar luisteren. Als je dat nog wil mag je het op deze app zetten....
07-06-2023 15:55 - Aannemer [opposant] Via [naam] : Ik zal morgen de schoten meenemen voor de gevel.
07-06-2023 18:06 - Aannemer [opposant] Via [naam] : [geopposeerde 2] en [geopposeerde 1]
Ter aanvulling op mijn laatste bericht het volgende, de hele situatie raakt mij ook enorm, ik heb hierdoor echt een paar dagen nodig om alles op een rijtje te zetten. In de loop van volgende week neem ik contact met je op om samen te kijken hoe we tot een oplossing en als het niet anders kan tot een afronding kunnen komen.
07-06-2023 19:20 - [geopposeerde 1] : Dat begrijp ik [opposant] . Wij zijn ook enorm teleurgesteld. Je ziet hoe wij nu moeten leven met 2 kinderen. Geen keuken, geen huiskamer en een badkamer die ook niet goed af is. Gezien mijn gezondheid kan ik momenteel de stress er echt niet bij hebben. Wij leggen ons neer bij je beslissing, ook al zijn wij daar absoluut niet blij mee. De klus is je boven het hoofd gegroeid, zoals jij ook aangaf. Alleen wel enorm jammer dat jij dat niet eerder hebt gemeld, volgens mij zijn wij niet de moeilijkste, dan had deze hele situatie misschien voorkomen kunnen worden. Wat ik niet begrijp is de "grimmige sfeer" waar jij het over hebt. [geopposeerde 2] heeft zelfs nog gevraagd of hij je kon helpen, maar jij gaf geen antwoord.
Het zou fijn zijn als jij morgen nog de schotjes en de sleutels zou willen komen brengen.”
3.6.
Bij brief van 9 juni 2023 hebben [geopposeerden] c.s. [opposant] in gebreke gesteld, waarbij [opposant] in de gelegenheid is gesteld om de overeengekomen werkzaamheden binnen 5 werkdagen te voltooien.
3.7.
Op 20 juni 2023 hebben [geopposeerden] c.s. een nulmeting uit laten voeren door Bouwburo Nick. In de rapportage van deze nulmeting wordt geconcludeerd dat het tussen partijen overeengekomen werk voor circa 42% is uitgevoerd en wordt de waarde van de door [opposant] verrichte werkzaamheden geschat op € 82.927,66 inclusief BTW.
3.8.
Op initiatief van [geopposeerden] c.s. heeft op 12 juli 2023 door TOP Expertise een onderzoek naar de door [opposant] verrichte werkzaamheden plaatsgevonden, waarbij ook [opposant] aanwezig was. Uit het hiervan opgemaakte rapport van 8 augustus 2023 blijkt – voor zover van belang – het volgende:
“Wij hebben aan de aannemer gevraagd of de huidige situatie tijdens ons bezoek de situatie is zoals door hem is achtergelaten. Dit werd door de aannemer bevestigd.
Voorts hebben wij aan de aannemer gevraagd of hij bereid was om het werk te herstellen en te voltooien aan de hand van onze rapportage. Hierop gaf de aannemer aan dat hij dat niet van plan is.”
3.9.
[geopposeerden] c.s. hebben de verbouwing laten voltooien door Bouw Totaal op basis van een offerte van 26 september 2023 met een aanneemsom van € 97.901,23.
3.10.
Bij brief van 9 oktober 2023 hebben [geopposeerden] c.s. aan [opposant] medegedeeld de aannemingsovereenkomst te ontbinden.
3.11.
In een rapport van 18 maart 2025 heeft TOP Expertise de waarde van het door [opposant] verrichtte werk begroot op € 85.268,75 inclusief BTW.
3.12.
Bij verstekvonnis van 9 juli 2025 heeft deze rechtbank [opposant] op vordering van [geopposeerden] c.s.:
  • veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van € 90.665,19, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van € 1.681,65 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van € 10.029,52 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van € 4.401,38 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • veroordeelt in de proceskosten van [geopposeerden] c.s.

4.Het geschil

In verzet
4.1.
[opposant] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
  • het verzet tegen het verstekvonnis van 9 juli 2025 gegrond verklaart;
  • het verstekvonnis van 9 juli 2025 vernietigt;
  • de vorderingen van [geopposeerden] c.s. afwijst;
Subsidiair
  • de vorderingen van [geopposeerden] c.s. matigt door aftrek van het aandeel waarin zij de schade aan hun eigen handelen te wijten hebben ex artikel 6:101 BW Pro, of;
  • de vorderingen van [geopposeerden] c.s. matigt naar een in redelijkheid door de rechtbank vast te stellen bedrag.
In conventie
4.2.
[geopposeerden] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 174.763,40 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag vanaf 9 oktober 2023, althans de datum vanaf de dagvaarding, tot aan de dag van volledige betaling;
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 2.666,94 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten;
Subsidiair
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 90.665,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 97.901,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 2.789,99 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten;
Zowel primair als subsidiair
  • te verklaren voor recht dat [opposant] uit hoofde van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenis jegens [geopposeerden] c.s. aansprakelijk is voor de schade van [geopposeerden] c.s., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 10.029,52 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [opposant] veroordeelt tot betaling aan [geopposeerden] c.s. van een bedrag van € 4.401,38 aan schadevergoeding voor de expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [opposant] veroordeelt in de proceskosten.
4.3.
[opposant] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [geopposeerden] c.s. in de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
In reconventie
4.5.
[opposant] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt tot betaling aan [opposant] van € 15.750,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt tot betaling van € 69.803,42 voor meerwerkposten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
Subsidiair
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt tot betaling van € 23.000,- aan [opposant] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt tot betaling van € 69.803,42;
Zowel primair als subsidiair
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt in de proceskosten;
  • [geopposeerden] c.s. veroordeelt de wettelijke rente over de vorderingen te betalen.
4.6.
[geopposeerden] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In verzet
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat [opposant] het verzet tijdig en op de juiste wijze heeft ingesteld en dat [opposant] in zijn verzet kan worden ontvangen.
In conventie
5.2.
[geopposeerden] c.s. leggen - samengevat - aan hun vorderingen ten grondslag dat [opposant] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst en dat zij deze rechtsgeldig hebben ontbonden.
Verzuim
5.3.
[geopposeerden] c.s. hebben in de eerste plaats gesteld dat [opposant] op 7 juni 2023 in verzuim is komen te verkeren, doordat hij zijn werkzaamheden op deze dag eenzijdig heeft neergelegd. [opposant] heeft dit betwist en heeft – samengevat – aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden slechts tijdelijk heeft neergelegd, omdat een onwerkbare situatie was ontstaan en hij graag in overleg wilde over hoe tot een oplossing voor de situatie dan wel een beëindiging van de samenwerking te komen.
5.4.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat [opposant] zijn werkzaamheden heeft gestaakt en dat deze daarna niet meer zijn afgerond. [opposant] heeft daarover toegelicht dat diverse persoonlijke problemen bij [geopposeerden] c.s. – waarvan hij druk ervaarde – en het feit dat zij inmiddels – tegen zijn advies in – in de woning waren komen wonen (op de bovenverdieping), maakte dat het voor hem een onwerkbare situatie was geworden. Eerder had hij zijn werkzaamheden al op 3 mei 2023 tijdelijk gestaakt. Op
7 juni 2023 heeft [opposant] het werk opnieuw gestaakt en daarbij meegedeeld: “Het is spijtig dat deze situatie is ontstaan, maar de gevolgen van de situatie zijn voor geen van beide partijen nog te dragen. Ik ga in overleg.” [opposant] heeft niet gesteld, en de rechtbank is ook anderszins niet gebleken, dat [opposant] na de discussie van 7 juni 2023 contact heeft gezocht met [geopposeerden] c.s. voor overleg of hen heeft verzocht hem zijn werkzaamheden te laten hervatten. Daarentegen kan op basis van de rapportage van TOP Expertise van 12 juli 2023 worden vastgesteld dat [opposant] ook op dat moment nog niet voornemens was zijn werkzaamheden te hervatten. Dat [opposant] na het staken van de werkzaamheden de sleutels van de woning op verzoek van [geopposeerden] c.s. – die inmiddels in de woning woonden – had ingeleverd en dat hij daarom geen toegang meer had tot de woning, maakt dat niet anders. Dat stond er niet aan in de weg in overleg te treden over hervatting van het werk. De rechtbank concludeert dat [opposant] op 7 juni 2023 – voor de tweede keer in een relatief korte periode – zijn werkzaamheden heeft neergelegd en sindsdien geen concrete stappen heeft ondernomen om in de gelegenheid te worden gesteld zijn werkzaamheden te hervatten. [geopposeerden] c.s. mochten hieruit afleiden dat [opposant] in de nakoming van de aannemingsovereenkomst tekort zou schieten als bedoeld in artikel 6:83, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek (BW). [geopposeerden] c.s. konden uit de mededeling dat “de gevolgen van de situatie voor geen van beide partijen nog zijn te dragen”, en het vervolgens uitblijven van een constructieve actie om tot een oplossing te komen, afleiden dat [opposant] tekort zou schieten.
5.5.
De rechtbank volgt [opposant] niet in zijn betoog dat [geopposeerden] c.s. in schuldeisersverzuim zijn komen te verkeren dan wel de aannemingsovereenkomst hebben opgezegd. [opposant] heeft ook in dit kader gesteld dat hij in de nasleep van de discussie van 7 juni 2023 de sleutels van de woning op verzoek van [geopposeerden] c.s. had ingeleverd en daarom geen toegang meer had tot de woning. Nu echter vaststaat dat [opposant] zijn werkzaamheden op dat moment had neergelegd, is dit onvoldoende om te oordelen dat de uitvoering van de aannemingsovereenkomst is verhinderd door [geopposeerden] c.s. of dat zij deze overeenkomst hebben opgezegd.
5.6.
Verder heeft [opposant] aangevoerd dat hij de uitvoering van zijn verbintenis op
7 juni 2023 rechtmatig heeft opgeschort, omdat [geopposeerden] c.s. de vierde aanbetalingsfactuur van 28 april 2023 niet hadden voldaan. [geopposeerden] c.s. hebben echter aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat de aanbetalingsfacturen naar voortgang van werkzaamheden zouden worden voldaan. [opposant] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Nu uit de rapportages van Bouwburo Nick en TOP Expertise blijkt dat de werkzaamheden slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd, waren [geopposeerden] c.s. niet verplicht de vierde aanbetalingsfactuur te voldoen en kon [opposant] zijn werkzaamheden niet vanwege het uitblijven van betaling opschorten.
5.7.
De rechtbank concludeert dat [opposant] op 7 juni 2023 in verzuim is komen te verkeren met betrekking tot de uitvoering van de aannemingsovereenkomst.
Ontbinding
5.8.
Nu vaststaat dat [opposant] op 7 juni 2023 in verzuim is komen te verkeren, hebben [geopposeerden] c.s. de aannemingsovereenkomst op 9 oktober 2023 rechtsgeldig ontbonden. Dat betekent dat op partijen op grond van artikel 6:217 BW Pro een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties komt te rusten. Indien de prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt, dan treedt daarvoor op grond van artikel 6:271 lid 1 BW Pro een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde van die prestatie.
5.9.
[opposant] moet de betalingen die hij op basis van de aannemingsovereenkomst heeft ontvangen aan [geopposeerden] c.s. terugbetalen. Dit betreft een totaalbedrag van € 174.763,40 (= € 5.000,00 + € 85.689,20 + € 25.000,00 + € 40.689,20 + € 5.500,00 + € 3.700,00 + € 7.300,00 + € 685,00 + € 450,00 + € 750,00). Omdat de door [opposant] verrichte prestatie niet ongedaan kan worden gemaakt, moet de waarde van deze prestatie van het terug te betalen bedrag worden afgetrokken. De rechtbank volgt [geopposeerden] c.s. niet in hun primaire stelling dat de waarde van de door [opposant] verrichte prestatie op nihil moet worden gesteld, aangezien vaststaat dat het werk in ieder geval gedeeltelijk is uitgevoerd. [geopposeerden] c.s. hebben subsidiair gesteld dat Bouwburo Nick en Top Expertise de waarde van het door [opposant] verrichte werk hebben begroot op € 82.927,66 respectievelijk € 85.268,75 en dat dit neerkomt op gemiddeld € 84.098,21. De rechtbank kan deze redenatie volgen en zal de waarde van de door [opposant] verrichte prestatie vaststellen op € 84.098,21. Dat betekent dat [opposant] een bedrag van € 90.665,19 (= € 174.763,40 – € 84.098,21) aan [geopposeerden] c.s. terug moet betalen.
Schadevergoeding
5.10.
Verder is [opposant] aansprakelijk voor de schade die [geopposeerden] c.s. hebben geleden ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst door [opposant] .
5.11.
[geopposeerden] c.s. hebben de volgende schadeposten gesteld:
  • € 97.901,23 voor het offerte bedrag van Bouw Totaal;
  • € 10.029,52 voor de huur van een vakantiehuis (€ 5.479,52) en de huur van een opslag (€ 4.550,00) vanwege vertraging van de werkzaamheden van [opposant] ;
  • € 4.401,38 voor redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, te weten de kosten voor de rapportages van Bouwburo Nick (€ 393,25) en TOP Expertise (€ 4.008,13);
  • € 2.666,94 subsidiair € 2.789,99 aan buitengerechtelijke incassokosten.
5.12.
De door [geopposeerden] c.s. gevorderde vergoeding van het offertebedrag van Bouw Totaal zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van artikel 6:277 BW Pro aanspraak kan worden gemaakt op aanvullende schadevergoeding als gevolg van de ontbinding. De omvang van die schadevergoeding moet worden vastgesteld door met elkaar te vergelijken, enerzijds de hypothetische situatie waarin [geopposeerden] c.s. zouden hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en anderzijds de feitelijke situatie waarin [geopposeerden] c.s. na ontbinding van de overeenkomst verkeren. In de hypothetische situatie waarin de overeenkomst zou zijn nagekomen, zouden [geopposeerden] c.s. de volledige aanneemsom van € 188.713.40 aan [opposant] hebben moeten betalen. Uit de stellingen van [geopposeerden] c.s. volgt dat zij in de feitelijke situatie € 181.999,44 hebben betaald (€ 84.098,21 aan [opposant] en € 97.901,23 aan Bouw Totaal om de gebreken te herstellen en het werk te voltooien). [geopposeerden] c.s. hebben aldus onvoldoende onderbouwd dat zij aanvullende schade hebben geleden.
5.13.
De rechtbank is verder van oordeel dat de schade die [geopposeerden] c.s. stellen te hebben geleden doordat zij vanwege de vertraging van de werkzaamheden tijdelijk een vakantiehuis en opslag hebben moeten huren, niet voor vergoeding in aanmerking komt. De reden daarvoor is dat partijen geen concrete opleverdatum zijn overeengekomen, waardoor niet kan worden aangenomen dat de werkzaamheden niet op tijd zijn opgeleverd en de door [geopposeerden] c.s. gemaakte kosten niet als vertragingsschade zijn aan te merken.
5.14.
De door [geopposeerden] c.s. gevorderde verwijzing naar de schadestaat wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. [geopposeerden] c.s. stellen slechts dat zij mogelijk nog meer schade zullen leiden. Dat is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [opposant] , naast hetgeen in dit vonnis al wordt toegewezen, jegens hen aansprakelijk is en de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Bij de gevorderde verklaring voor recht bestaat geen belang (artikel 3:303 BW Pro) nu de geleden schade bij dit vonnis reeds wordt toegewezen.
5.15.
[geopposeerden] c.s. hebben vergoeding van redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid gevorderd van € 4.401,38. De rechtbank acht het niet onredelijk dat [geopposeerden] c.s. tweemaal een deskundige hebben ingeschakeld om de stand van het werk en eventuele gebreken te beoordelen. De rechtbank oordeelt dat het redelijk was om de deskundigen in te schakelen en dat de kosten daarvan redelijk zijn. Als gevolg daarvan is de vordering op basis van artikel 6:95 juncto Pro 6:96 lid 2 BW toewijsbaar.
5.16.
De door [geopposeerden] c.s. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 1.681,65 (= € 875,- + ((€ 90.665,19 - € 10.000,-)*1%)).
In reconventie
5.17.
[opposant] heeft aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag gelegd dat [geopposeerden] c.s. de vierde aanbetalingsfactuur van € 15.000,- en de resterende aanneemsom van € 5.000,- onbetaald hebben gelaten. Daarnaast vordert [opposant] betaling van meerwerk.
5.18.
Met betrekking tot de vierde aanbetalingsfactuur en de resterende aanneemsom overweegt de rechtbank dat de aannemingsovereenkomst – zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.8 is overwogen – door [geopposeerden] c.s. rechtsgeldig is ontbonden en dat de grond voor betaling van deze bedragen daarom is komen te vervallen. Deze vordering van [opposant] zal worden afgewezen.
5.19.
Met betrekking tot het meerwerk heeft [opposant] – samengevat – gesteld dat er 54 meerwerkposten bij [geopposeerden] c.s. in rekening gebracht kunnen worden met een totale waarde van € 88.188,42, waarvan € 18.385,- door [geopposeerden] c.s. is voldaan. Dat betekent volgens [opposant] dat hij nog een vordering van € 69.803,42 heeft op [geopposeerden] c.s.
5.20.
De rechtbank overweegt dat het meerwerk, voor zover dat is uitgevoerd, is verdisconteerd in de waardebepaling van de door [opposant] verrichte werkzaamheden door Bouwburo Nick en TOP Expertise. Dat betekent dat het uitgevoerde meerwerk is afgetrokken van het bedrag dat [opposant] aan [geopposeerden] c.s. terug moet betalen vanwege de ontbinding van de aannemingsovereenkomst. Voor zover het meerwerk niet is uitgevoerd, is de grond voor betaling daarvan, indien en voor zover die er was, komen te vervallen door de ontbinding van de aannemingsovereenkomst door [geopposeerden] c.s. De rechtbank zal ook deze vordering van [opposant] afwijzen.
5.21.
[opposant] heeft tot slot een provisionele vordering ingesteld, strekkende tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis van 9 juli 2025. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat het verstekvonnis van 9 juli 2025 zal worden vernietigd, dit vonnis daarvoor in de plaats zal treden en – overeenkomstig de vordering van [geopposeerden] c.s. – uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.
Proceskosten
5.22.
[opposant] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [geopposeerden] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 149,02
- griffierecht € 2.723,00
- salaris advocaat € 6.153,00 (3 punten x tarief V ad € 2.051,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 9.214,02
5.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
In verzet
6.1.
verklaart het verzet gegrond;
6.2.
vernietigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 9 juli 2025 met zaaknummer C/09/686353;
In conventie
6.3.
veroordeelt [opposant] tot betaling van een bedrag van € 90.665,19 aan [geopposeerden] c.s., te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [opposant] tot betaling van een bedrag van € 4.401,38 aan [geopposeerden] c.s. als schadevergoeding voor de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
6.5.
veroordeelt [opposant] tot betaling van een bedrag van € 1.681,65 aan [geopposeerden] c.s. aan buitengerechtelijke incassokosten;
In reconventie
6.6.
wijst de vorderingen van [opposant] af;
In conventie en in reconventie
6.7.
veroordeelt [opposant] in de proceskosten van [geopposeerden] c.s, tot op heden begroot op € 9.214,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag van volledige betaling. Als [opposant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [opposant] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op
8 april 2026.
3390