ECLI:NL:RBDHA:2026:12772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 28 Wet beëdigde tolken en vertalersArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en gebruik tolk bij vertrekgesprek ongegrond verklaard

Bij besluit van 5 mei 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 13 mei 2026, waarbij eiser werd bijgestaan door een gemachtigde en een tolk aanwezig was.

Eiser voerde aan dat bij het vertrekgesprek van 6 mei 2026 geen gerechtstolk was ingezet, omdat het Rbtv-nummer ontbrak in het verslag, en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld door niet direct te vragen contact op te nemen met zijn zus in België. Tevens stelde eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast omdat hij zijn asielaanvraag had ingetrokken.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een geregistreerde tolk de rechtmatigheid van de maatregel niet aantast, omdat uit de Wet beëdigde tolken en vertalers niet volgt dat een beëdigde tolk verplicht is bij vertrekgesprekken. Er was geen sprake van miscommunicatie en eiser en tolk begrepen elkaar goed. Ook was er geen grond om te veronderstellen dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld. De zware en lichte gronden voor bewaring waren niet bestreden en voldoende gemotiveerd. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 5 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Tijdens het vertrekgesprek van 6 mei 2026 heeft verweerder eiser gehoord met behulp van een tolk. Verweerder heeft bij het verslag niet het Rbtv-nummer [1] vermeld, waardoor niet vaststaat of gebruik is gemaakt van een gerechtstolk in de Arabisch-Algerijnse taal. Verder heeft eiser aangegeven dat zijn zus in België hem kon helpen. Verweerder had op dat moment eiser direct moeten vragen om contact op te nemen met zijn zus. Door dat niet te doen, handelt verweerder onvoldoende voortvarend. Tot slot voert eiser aan dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen. Eiser heeft namelijk zijn asielaanvraag ingetrokken en daarom is het aannemelijk dat hij zal meewerken aan zijn vertrek naar Algerije.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 6 mei 2026 valt inderdaad niet af te leiden dat de telefonische tolk in de Arabisch-Algerijnse taal een gerechtstolk was. De rechtbank is van oordeel dat ook als de tolk niet als registertolk zou zijn ingeschreven, dit de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring niet aantast. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers niet blijkt dat (een regievoerder van) DT&V gehouden is gebruik te maken van een beëdigde tolk of vertaler tijdens een vertrekgesprek. De rechtbank leidt daarnaast uit het verslag van het vertrekgesprek af dat eiser en de tolk hebben verklaard elkaar goed te begrijpen en te verstaan. Ook de regievoerder en eiser hebben elkaar tijdens het vertrekgesprek goed kunnen begrijpen. Gesteld noch gebleken is dat op enig moment sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser, de regievoerder of de tolk. Niet valt in te zien op welke wijze eiser in zijn belangen zou zijn geschaad door het eventueel gebruikmaken van een niet-registertolk. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het vertrekgesprek van 6 mei 2026 onzorgvuldig is uitgevoerd.
6. De rechtbank oordeelt verder dat de plicht van verweerder om voortvarend te handelen niet zo ver strekt dat de regievoerder van DT&V al tijdens het gesprek eiser moet verzoeken om samen eisers zus te bellen. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
7. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder bovendien geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken betekent weliswaar dat hij geen asiel meer wil, maar niet per se dat hij ook mee zal werken aan zijn vertrek. Verweerder heeft het risico op onttrekking aan het toezicht uitvoerig gemotiveerd en bovendien is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Register beëdigde tolken en vertalers.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.