Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12754

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL25.3321
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 29 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante elementen

Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft in 2016 asiel aangevraagd in Bulgarije en internationale bescherming gekregen. In Nederland diende hij in 2023 en opnieuw in 2023 een asielaanvraag in, die beide niet-ontvankelijk werden verklaard vanwege het bestaan van bescherming in Bulgarije.

De rechtbank beoordeelt de opvolgende asielaanvraag van 16 november 2023 en concludeert dat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen heeft aangevoerd die de eerdere beslissingen kunnen wijzigen. Het verlopen van de Bulgaarse verblijfsvergunning is onvoldoende om aan te nemen dat de bescherming is ingetrokken.

Ook het feit dat de vader van eiser een asielvergunning in Nederland heeft verkregen, leidt niet tot een afgeleide asielvergunning voor eiser, omdat hij niet aan de voorwaarden voor nareis voldoet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag.

Uitkomst: De opvolgende asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3321

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag geen relevante nieuwe elementen en bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Bij het bestreden besluit van 23 januari 2025 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Vw. [1]
2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, [2] op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was H. Lotfi aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. In 2011 heeft eiser Syrië verlaten en is hij naar Turkije gegaan. In 2016 heeft eiser Turkije verlaten en op 29 december 2016 heeft hij in Bulgarije een asielaanvraag ingediend. Op 20 juni 2017 heeft hij daar internationale bescherming gekregen. Eiser heeft op 1 januari 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 7 april 2023 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser internationale bescherming in Bulgarije heeft. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddel ingesteld. Dit besluit is hierdoor onherroepelijk geworden.
Deze procedure
4. Eiser heeft op 16 november 2023 opnieuw een asielaanvraag ingediend omdat hij meent dat hij op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw voor een asielvergunning in aanmerking komt. Daarnaast ligt het gelet op het tijdsverloop en het feit dat de verleende verblijfsvergunning in Bulgarije is verlopen voor de hand dat eiser in Bulgarije geen internationale bescherming meer heeft.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Bulgarije [3] en omdat hij geen nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag heeft aangevoerd. [4] De minister heeft erop gewezen dat in rechte vaststaat dat eiser in Bulgarije internationale bescherming heeft. Dat eiser die bescherming nog heeft, blijkt ook uit het antwoord van de Bulgaarse autoriteiten van 13 januari 2025. Het feit dat de vader van eiser ook een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend is geen relevant nieuw element, omdat eiser niet aan de voorwaarden voor nareis voldoet.
De gronden van beroep
6. Eiser heeft aangevoerd dat zijn Bulgaarse verblijfsvergunning al meer dan twee jaren geleden is vervallen. Het is eiser niet gelukt om dit bij de Bulgaarse autoriteiten te verifiëren. Gezien het feit dat eiser Bulgarije in 2022 heeft verlaten is het zeker niet ondenkbaar dat hij daar geen rechtmatig verblijf meer heeft. Daarnaast is de eis in het kader van nareis dat gezinsleden tegelijkertijd moeten zijn ingereisd niet in overeenstemming met het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn en getuigt die van hardheid. Ook op grond van het arrest XXXX [5] van het HvJ-EU [6] is de minister verplicht de eenheid van het gezin te handhaven.
Het oordeel van de rechtbank
7. Omdat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend moet ten eerste worden beoordeeld of de door eiser in deze procedure aangedragen elementen en bevindingen nieuw zijn ten opzichte van de vorige procedure. Ten tweede moeten die elementen en bevindingen relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. [7]
8. Allereerst stelt de rechtbank vast de gemachtigde van eiser op zitting het beroep op het arrest LH [8] heeft laten vallen. Hetzelfde geldt voor het beroep op het arrest XXXX.
Internationale bescherming in Bulgarije
9. De rechtbank is van oordeel dat eiser in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn status in Bulgarije sinds zijn vorige procedure is gewijzigd. Het feit dat de geldigheid van zijn Bulgaarse verblijfsvergunning is verlopen is hiervoor onvoldoende. De omstandigheid dat eisers verblijfsdocument zou zijn verlopen, betekent immers niet dat de Bulgaarse autoriteiten zijn internationale bescherming ook hebben ingetrokken. De gemachtigde van de minister heeft op zitting in dat verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, [9] waarin onder meer is overwogen dat het niet tijdig verlengen of vervangen van de geldigheidsduur van de Bulgaarse verblijfsdocumenten niet automatisch leidt tot intrekking van de verleende internationale bescherming. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister mag uitgaan van de registratie in het Eurodac-systeem en dat als uit het Eurodac-systeem niet blijkt dat de status is ingetrokken, het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij in Bulgarije toch geen internationale bescherming meer heeft. Uit de brief van de Bulgaarse autoriteiten van 13 januari 2025 blijkt dat eiser daar internationale bescherming heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bescherming is ingetrokken. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat de situatie in Bulgarije sinds de vorige asielprocedure zodanig is gewijzigd dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is dan ook geen sprake van nieuwe elementen en bevindingen op dit punt.
Artikel 29, tweede lid, van de Vw
10. Het feit dat de vader van eiser sinds de vorige asielprocedure een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend en sinds 15 oktober 2024 een asielvergunning heeft is een nieuw element. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw kan een meerderjarig kind immers in aanmerking komen voor een afgeleide asielvergunning indien hij op het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw behoorde tot diens gezin en hij gelijktijdig met die vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling een asielvergunning voor bepaalde tijd is verleend. Los van het antwoord op de vraag of eiser op het moment van inreis van zijn vader in Nederland nog tot het gezin van zijn vader behoorde, is tussen partijen niet in geschil dat eiser niet tegelijk met of binnen drie maanden na de verlening van de verblijfsvergunning aan zijn vader Nederland is ingereisd, maar ruim voordat zijn vader Nederland is ingereisd. Dat deze eis in strijd zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft eiser niet deugdelijk onderbouwd en is de rechtbank ook niet gebleken. Dit nieuwe element is daarom niet relevant voor de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag.
Conclusie
11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen relevante nieuwe elementen en bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.H. van Veen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Met zaaknummer NL25.3322.
3.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
5.Van 22 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:1013.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699.
8.Van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.