Art. 6 sub e RvArt. 223 RvArt. 1019h RvVerordening (EU) 1215/2012Verdrag van Brussel 1968
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheidsincident en intellectuele eigendomsrechtelijke geschil tussen Betonblock en 3A Steel
Betonblock B.V. vordert in een civiele procedure tegen 3A Steel Ltd, een Bulgaars metaalproductiebedrijf, onder meer een verklaring voor recht dat 3A Steel inbreuk maakt op haar auteursrechten op stalen betonblokmallen, een inbreukverbod, opgave- en rectificatiebevelen, een dwangsom en schadevergoeding. 3A Steel betwist de vorderingen en stelt dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van de grensoverschrijdende vorderingen, met name voor het opleggen van een verbod en rectificatiebevel buiten Nederland.
De rechtbank oordeelt dat zij op grond van artikel 6 sub e RvPro bevoegd is, omdat de schade ook in Nederland is ingetreden door het aanbieden en verkopen van de producten via een Nederlandse website. Het bevoegdheidsincident van 3A Steel wordt afgewezen omdat het verweer primair ziet op de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, waarvoor in dit incident geen plaats is.
De rechtbank houdt de beslissing in het artikel 223 RvPro incident aan en verwijst de hoofdzaak naar een rolzitting voor het nemen van conclusies van antwoord. De beslissing omtrent de kosten van het bevoegdheidsincident wordt aangehouden. Het vonnis is gewezen door rechter H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd, wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel af en houdt verdere beslissingen aan.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/696205 / HA ZA 25-1122
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
BETONBLOCK B.V.te Heerhugowaard,
eiseres in de hoofdzaak en het artikel 223 RvPro [1] incident, verweerster in reconventie en in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: Betonblock,
advocaat: mr. M.G. Jansen,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
3A STEEL LTDte Radomir, Bulgarije,
gedaagde in de hoofdzaak en het artikel 223 RvPro incident, eiseres in reconventie en in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: 3A Steel,
advocaat: mr. F.S.G. Tuinzing-Westerhuis.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2025 met de producties EP01 tot en met EP24;
- de akte bij aanbrengen van Betonblock met de producties EP24 tot en met EP26; - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende eis in reconventie met de producties GP01 tot en met GP39;
- de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid van Betonblock met de producties EP27 tot en met EP34.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Betonblock drijft een onderneming gericht op de ontwikkeling, productie en verkoop van stalen mallen voor betonblokken. Betonblock ontwikkelt onder meer de hieronder afgebeelde mal, die hierna zal worden aangeduid als de lBetonblockmal.
2.2. 3
A Steel is een in Bulgarije gevestigd metaalproductiebedrijf.
2.3.
Vanaf 2009 produceerde 3A Steel voor Betonblock (dan wel haar rechtsvoorganger) Betonblockmallen. De samenwerkingsafspraken zijn niet schriftelijk vastgelegd.
2.4.
In de periode 2022-2024 is tussen partijen een geschil ontstaan over verhoogde prijzen, afnamevolume en door 3A Steel mogelijk verrichte betalingen aan een oud medewerker van Betonblock.
2.5.
In juli 2024 heeft 3A Steel aan Betonblock laten weten dat zij levering van Betonblockmallen zou opschorten, vanwege de verwachting dat Betonblock het eerder gecommuniceerde minimum afnamevolume niet zou afnemen en vanwege onbetaalde facturen.
2.6.
Bij e-mail van 22 juli 2024 liet Betonblock weten dat zij missende onderdelen lokaal zou bestellen, waarna 3A Steel bij brief van 29 augustus 2024 onder meer het volgende liet weten:
“For the avoidance of doubt: while there is no written agreement between Betonblock and 3A Steel except for the latest agreed minimum mould quantity, 3A Steel cannot be held to parts of an agreement, to the extent that Betonblock itself ignores or breaches such agreement. As a result of that, 3A Steel hereby primarily dissolves and subsidiarily terminates all and any aspects of agreements that would bind it to exclusivity towards Betonblock.”
2.7.
Op 14 september 2024 heeft 3A Steel een webshop geopend onder de domeinnaam www.3ablock.com, waar zij onder meer de hieronder afgebeelde mallen (hierna: de Producten) aanbiedt.
2.8.
Bij brief van 20 september 2024 heeft Betonblock 3A Steel gesommeerd de inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten te staken.
2.9.
Bij brief van 29 september 2024 heeft 3A Steel de inbreuk betwist en Betonblock nogmaals gesommeerd tot betaling van de facturen en nakoming van overige verplichtingen.
2.10.
In de hoofdzaak vordert Betonblock in conventie, samengevat weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht dat 3A Steel (primair) inbreuk maakt op de auteursrechten van Betonblock op de lego-betonblokmallen, of (subsidiair) onrechtmatig handelt jegens Betonblock;
II. in de Europese Unie of in Nederland (primair) een inbreukverbod op de auteursrechten van Betonblock op de lego-betonblokmallen of (subsidiair) onrechtmatig handelen;
III. een opgavebevel;
IV. een rectificatiebevel;
V. een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat 3A Steel in strijd handelt met het onder II, III en IV gevorderde, met een maximum van € 1.000.000,-;
VI. schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente;
VII. een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.11.
Betonblock legt aan haar vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – ten grondslag dat de Betonblockmal kwalificeert als een werk in de zin van de Auteurswet. Doordat 3A Steel zonder haar toestemming de Producten aanbiedt maakt zij inbreuk op het auteursrecht van Betonblock. Voor zover de lego-betonblokmal niet auteursrechtelijk is beschermd, is sprake van slaafse nabootsing, omdat de lego-betonblokmal een eigen gezicht heeft op de markt. Doordat 3A Steel identieke Producten aanbiedt veroorzaakt zij nodeloos verwarring over de herkomst daarvan bij consumenten.
2.12. 3
A Steel voert verweer. 3A Steel concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van Betonblock, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Betonblock. Subsidiair concludeert 3A Steel tot (gedeeltelijke) toewijzing, zonder het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans, daaraan de voorwaarde te verbinden dat Betonblock zekerheid stelt tot het bedrag dat aan haar wordt toegewezen. Het voorgaande met veroordeling van Betonblock in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, voor wat betreft de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, en het liquidatietarief voor wat betreft de overige aspecten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.13.
In de hoofdzaak vordert 3A Steel in reconventie, samengevat weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht Betonblock is tekortgeschoten in de nakoming van de minimumafnameverplichting en een veroordeling tot vergoeding van de schade die 3A Steel als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat;
II. een veroordeling tot betaling van € 579.128,13, te vermeerderen met de wettelijke rente naar Bulgaars recht;
III. een proceskostenveroordeling, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.14. 3
A Steel legt aan haar vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – ten grondslag dat Betonblock de tussen partijen overeengekomen minimumafname verplichtingen voor 2024 niet is nagekomen en verschillende facturen niet heeft voldaan.
Betonblock vordert in het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een aan 3A Steel op te leggen verbod in de gehele Europese Unie, althans subsidiair in Nederland, voor de duur van het geding, met onmiddellijke ingang (primair) op enigerlei wijze inbreuk te maken op de auteursrechten van Betonblock, of (subsidiair) onrechtmatig te handelen jegens Betonblock door het (doen) reproduceren, (doen) bestellen, (doen) vervaardigen, (doen) tonen, (doen) verkopen c.q. te koop aanbieden of anderszins openbaar (doen) maken van producten met een vormgeving zoals de lego-betonblokmal en producten met een vormgeving die eenzelfde totaalindruk wekken als de lego-betonblokmal van Betonblock, althans die daarmee verwarringwekkend overeenstemmen, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 10.000,- per dag dat 3A Steel niet aan dit verbod voldoet;
II. een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv.
in het bevoegdheidsincident
3.2. 3
A Steel vordert in het incident dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen onder I, II, III, V en VI van Betonblock, voor zover deze grensoverschrijdend zijn en/of zien op de gehele Europese Unie;
II. zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering onder IV van Betonblock (rectificatie);
III. Betonblock veroordeelt in de kosten van het incident op grond van artikel 1019h Rv, voor wat betreft de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, en het liquidatietarief voor wat betreft de overige aspecten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3. 3
A Steel legt hieraan ten grondslag dat de bevoegdheid van de rechtbank op grond van artikel 7 lid 2 BrusselPro I bis-Vo [2] is beperkt tot het grondgebied van Nederland en dat de rechtbank dus geen verbod voor de gehele Europese Unie kan opleggen. Daarnaast stelt 3A Steel zich op het standpunt dat de rechtbank in het geheel niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot het opleggen van een rectificatiebevel. Het HvJ [3] heeft bepaald dat alleen de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering – en dus niet de rechter die (beperkte) bevoegdheid ontleent aan artikel 7 lid 2 BrusselPro I bis-Vo – bevoegd is om een vordering met die strekking te beoordelen, omdat het internet in beginsel universeel toegankelijk is. De rechtbank dient zich daarom in het geheel onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vordering tot het plaatsen van een rectificatie en zich gedeeltelijk (voor zover de vorderingen grensoverschrijdend zijn) onbevoegd te verklaren ten aanzien van de provisionele vorderingen en de vorderingen in conventie.
3.4.
Betonblock voert verweer. Betonblock concludeert tot niet-ontvankelijkheid van 3A Steel, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van 3A Steel, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van 3A Steel in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Betonblock heeft provisionele vorderingen ingesteld op grond van artikel 223 RvPro. Los van de omstandigheid dat Betonblock die vorderingen niet heeft opgenomen in het petitum van de dagvaarding, wil de rechtbank partijen horen op een mondelinge behandeling voordat zij al dan niet op die vorderingen beslist. Nu Betonblock niet heeft gesteld dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan de mondelinge behandeling in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht, zal – nadat deze zaak schriftelijk is uitgeconcludeerd – een mondelinge behandeling worden bepaald waarin zowel de provisionele vorderingen als de vorderingen in de hoofdzaak worden behandeld.
in het bevoegdheidsincident
4.2.
De vorderingen van Betonblock zijn gegrond op auteursrechtinbreuk en onrechtmatige daad. De rechtbank is op grond van artikel 6 sub e RvPro bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen.
4.3.
Artikel 6 sub e RvPro bepaalt dat bij zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad (waaronder mede wordt begrepen inbreuk op een auteursrecht) mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Artikel 6 sub e RvPro is ontleend aan het bepaalde in artikel 5 subPro 3 EEX-Verdrag [4] (inmiddels artikel 7 lid 2 BrusselPro I bis-Vo). Voor de uitleg van het begrip “onrechtmatige daad” en “de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zal de rechtbank dan ook bij laatstgenoemd artikel aanhaken en aansluiting zoeken bij de jurisprudentie van het HvJ daarover.
4.4.
Volgens vaste uitleg door het HvJ kan onder de plaats van het schadebrengende feit worden verstaan zowel de plaats waar de veroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (het Handlungsort of locus delicti/actus) als de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort of locus damni).
4.5.
Betonblock heeft onbetwist aangevoerd dat de Producten, waarvan zij stelt dat 3A Steel hiermee inbreuk maakt op haar auteursrechten, via www.3ablock.com worden aangeboden. Nu deze website in Nederland vrij toegankelijk is en 3A Steel ook daadwerkelijk in de periode tussen eind 2024 en begin 2025 Producten aan Nederlandse klanten heeft verkocht en geleverd, is mogelijk (ook) schade ingetreden in Nederland (“Erfolgsort”). Het betoog van 3A Steel dat zij zich niet richt op de Nederlandse markt en dat Betonblock een forum heeft gecreëerd doordat zij deze verkopen met behulp van bij haar bekende partijen heeft uitgelokt, treft geen doel nu vast is komen te staan dat eventuele schade mede is ingetreden in Nederland. Indien uit de bevoegdheidsregels volgt dat meer dan één rechtbank bevoegd is, staat het bovendien ter vrije beoordeling van de eisende partij om de zaak bij één van die rechtbanken aan te brengen.
4.6.
Gelet op bovenstaande is deze rechtbank (internationaal en relatief) bevoegd om van de vorderingen van Betonblock kennis te nemen. Uit het bevoegdheidsincident blijkt niet dat 3A Steel de (internationale en relatieve) bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock op enige manier heeft betwist, te weten in de zin van artikel 11 ofProartikel 110 RvPro. Zij betwist daarin slechts dat deze rechtbank de bevoegdheid toekomt om de vorderingen I, II, III, V en VI van Betonblock toe te wijzen met een territoriale reikwijdte buiten het grondgebied van Nederland. De vraag of een verbod (en de daarmee samenhangende nevenvorderingen) zal worden opgelegd zoals door Betonblock gevorderd en zo ja, wat de (territoriale) reikwijdte daarvan is, zal aan de orde komen in de hoofdzaak. Het bevoegdheidsincident van 3A Steel betreft dus in essentie een principaal verweer, waarvoor in dit incident geen plaats is. De incidentele vordering van 3A Steel zal gezien het voorgaande worden afgewezen.
4.7.
Nu de bevoegdheid van de rechtbank in de hoofdzaak vaststaat, geldt voor wat betreft de nevenvordering strekkende tot een rectificatiebevel (vordering IV van Betonblock) hetzelfde. Voor de vraag of de rechtbank bevoegd is van die specifieke nevenvordering kennis te nemen en zo ja, wat de (territoriale) rekwijdte van dat bevel zou zijn, is in dit incident geen plaats. Die vraag zal in de hoofdzaak aan de orde komen.
5.De beoordeling in de hoofdzaak
5.1.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol over vier weken voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van 3A Steel.
5.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6.De beslissing
De rechtbank
in de incidenten
6.1.
houdt de beslissing in het artikel 223 RvPro incident aan;
6.2.
wijst de vorderingen van 3A Steel in het bevoegdheidsincident af;
6.3.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het bevoegdheidsincident aan;
in de hoofdzaak
6.4.
verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2026 voor het nemen van de conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van Betonblock;
6.5.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door H.F.R. van Heemstra, rechter, bijgestaan door mr. R.W.J. Slits, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Voetnoten
1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.