Verzoeker heeft op 9 februari 2026 een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 18 maart 2026 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij gedurende de bezwaarprocedure in Nederland mag verblijven en werken.
De minister heeft bij brief van 8 mei 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zag geen beletselen tegen toewijzing en besloot het verzoek toe te wijzen zonder zitting. De voorlopige voorziening geldt zolang het bezwaar niet is ingetrokken of beëindigd.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.