Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18, eerste lid onder b DublinverordeningArt. 8:54 Algemene wet bestuursrechtArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening. De minister had op 30 maart 2026 het besluit genomen en Nederland had op 19 december 2025 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat op 23 december 2025 werd aanvaard.

Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege haar traumatische ervaringen in Duitsland en het ontbreken van sociale steun daar, terwijl zij in Nederland familie heeft. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vertrouwd op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De minister heeft bovendien gemotiveerd aangegeven waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank concludeert dat het beroep kennelijk ongegrond is en verklaart het ongegrond. Eiseres en haar minderjarige zoon mogen worden overgedragen aan Duitsland. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en haar asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17944

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kind:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer 2],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 30 maart 2026 de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.17945. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 19 december 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 23 december 2025, op grond van artikel 18, eerste lid onder b van de Dublinverordening aanvaard.
Wat vindt eiseres?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft zich er ten onrechte niet van vergewist dat eiseres in Duitsland opnieuw toegang zal krijgen tot de asielprocedure en opvang.
5.1.
De minister heeft daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de ervaringen van eiseres in Duitsland. Zij is door mishandelingen in Duitsland getraumatiseerd geraakt en heeft in Duitsland niemand om op terug te vallen. In Nederland heeft zij familie door wie ze wordt gesteund. Nergens uit blijkt dat de minister hier rekening mee heeft gehouden. Daarnaast heeft eiseres een jonge zoon die erg kwetsbaar is.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank overweegt dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op mag vertrouwen dat Duitsland zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. [3] Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat in haar geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
6.1.
Eisers is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De minister heeft terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Duitse autoriteiten zich niet houden aan hun internationale verplichtingen. De enkele stelling van eiseres dat dit het geval is, is onvoldoende. De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord de garantie gegeven dat de asielaanvraag van eiseres met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling zal worden genomen. In wat eiseres heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien aanvullende garanties te vragen. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiseres haar stellingen met betrekking tot haar ervaringen in Duitsland niet heeft onderbouwd. De minister heeft daarbij opgemerkt dat eiseres geen klacht heeft ingediend in Duitsland en dat zij over het gebruikte geweld al heeft verklaard in haar vorige procedure. Ook toen is geoordeeld [4] dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvang van Duitsland zijn.
7. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de minister in het besluit gemotiveerd is ingegaan op de minderjarige zoon van eiseres en waarom er geen sprake is van bijzondere, persoonlijke omstandigheden op grond waarvan eiseres en haar kind niet overgedragen kunnen worden. Ook op de omstandigheid dat eiseres familie heeft in Nederland die haar steunen, is in het besluit uitgebreid ingegaan. De minister heeft in wat eiseres heeft aangevoerd terecht geen aanleiding hoeven zien de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres en haar minderjarige kind mogen worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld in de uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770), waarbij de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd.
4.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 8 januari 2025, NL24.49329.