ECLI:NL:RBDHA:2026:12622
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak over uitstel van vertrek
Verzoeker, van Somalische nationaliteit, diende een aanvraag in voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gericht op uitstel van vertrek. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag buiten behandeling en verklaarde het bezwaar van verzoeker ongegrond in een besluit van 4 juli 2025.
Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Op 11 mei 2026 vond de zitting plaats met deelname van verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het hoofdberoep, een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed op het hoofdberoep.