Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Buitenlandse Zaken, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Egyptische nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van sociale en economische binding met Egypte, waardoor vestigingsgevaar werd vermoed.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister werd afgewezen. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de minister terecht een ruime beoordelingsmarge heeft bij de toetsing van vestigingsgevaar.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende sociale binding met Egypte had aangetoond, omdat hij jong was, geen zorgverplichtingen had en zijn sociale leven niet met objectief bewijs ondersteunde. Ook de economische binding was onvoldoende onderbouwd; loonstroken ontbraken en bankafschriften toonden geen duidelijk salaris. De hoorplicht werd niet geschonden omdat aanvullende mondelinge toelichting geen ander resultaat zou opleveren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst.