ECLI:NL:RBDHA:2026:12594
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing asielaanvraag
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 25 december 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met de bodemzaak op 27 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde afwezig waren.
De voorzieningenrechter oordeelt dat nu de bodemzaak is behandeld en uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Wel veroordeelt de voorzieningenrechter de minister tot betaling van proceskosten aan verzoeker, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.
De uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door de voorzieningenrechter S.G.M. van Veen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.