Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12593

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL24.45810 en NL24.45812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 EVRMParagraaf C7/1.2 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en terugkeerbesluit wegens beëindiging partnerrelatie

Eiser, van Tunesische nationaliteit, had een verblijfsvergunning op grond van een partnerrelatie die is beëindigd. Na beëindiging van de relatie heeft de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat de intrekking terecht is omdat de relatie is beëindigd en er geen sprake is van familieleven. De vraag of het privéleven van eiser bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro is beoordeeld. De rechtbank volgt de minister dat de inmenging gerechtvaardigd is vanwege het economisch belang van Nederland en het feit dat eiser slechts vijf jaar legaal in Nederland verbleef, ondanks langdurig verblijf.

Daarnaast is het risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Tunesië onderzocht. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er geen reëel risico is op onmenselijke behandeling. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen eerlijk proces zal krijgen of dat hij een concreet risico loopt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.45810 (beroep)
NL24.45812 (voorlopige voorziening
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1988, van Tunesische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P. Le Heux),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.I. Lemmers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd per 1 april 2023 en het opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De minister heeft met het besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) eisers bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de verblijfsvergunning van eiser terecht heeft ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van een partnerrelatie van 16 mei 2011 tot 1 september 2013. Deze verblijfsvergunning is ingetrokken omdat de relatie is beëindigd. Daarna heeft eiser zonder verblijfstitel in Nederland verbleven. Op 5 april 2019 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘verblijf bij partner’, namelijk bij [referente] (hierna: referente). Eiser heeft met ingang van 6 november 2019 een verblijfsvergunning voor verblijf bij referente gekregen. Op 29 maart 2023 heeft referente bij de minister gemeld dat de relatie met ingang van 1 april 2023 is beëindigd. De minister heeft vervolgens op 14 februari 2024 een voornemen verstuurd om de verblijfsvergunning in te trekken. Op 25 maart 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2023 ingetrokken en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend en vervolgens is eiser gehoord. Bij het bestreden besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Omvang van het geschil
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de relatie tussen eiser en referente is beëindigd en dat daarmee de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan eiser is afgegeven is komen te vervallen. Evenmin is in geschil dat er geen sprake is van familieleven.
6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister een vergunning aan eiser had moeten geven op grond van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft wel vastgesteld dat er sprake is van privéleven, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Belangenafweging in het kader van privéleven
7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de intrekking en weigering van een verblijfsvergunning aan eiser geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM zou opleveren. Aan het privéleven van eiser wordt onvoldoende gewicht toegekend. Eiser heeft namelijk vrijwel zijn hele volwassen leven in Nederland gewoond en gewerkt. Ook heeft hij verschillende keren een verblijfsvergunning gehad en wist hij gedurende een periode niet dat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken. Hij heeft verder nooit een beroep gedaan op de algemene middelen. Ook heeft eiser een goede baan, een vast contract, altijd gewerkt en belasting betaald. De conclusie van de minister dat eiser sterkere banden met Tunesië dan met Nederland heeft, wordt niet door de feiten gedragen. Eiser verricht bovendien essentiële mantelzorgtaken voor een goede vriend en hij heeft een uitgebreid sociaal netwerk opgebouwd in Nederland. De minister heeft ook niet voldoende gemotiveerd waarom het economische belang van Nederland wordt geschaad door de aanwezigheid van eiser. Tenslotte heeft de minister de positieve bijdrage die eiser levert aan de Nederlandse economie niet voldoende zorgvuldig onderzocht en meegewogen.
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de inmenging in het privéleven
van eiser in Nederland is gerechtvaardigd in het licht van het economisch belang van Nederland. Dat eiser niet meer voldoet aan het doel van zijn verblijfsvergunning is in zijn nadeel gewogen. Ook is in zijn nadeel gewogen dat eiser hierbij gebruik blijft maken van de voorzieningen die vanuit de algemene middelen worden betaald als gezondheidszorg en huisvesting. Dit belang weegt minder zwaar omdat eiser werkt, maar aan eisers werk kan geen doorslaggevende waarde worden toegekend. Hoewel eiser een vast contract heeft en geen beroep doet op de algemene middelen, neemt hij met dit werk waarschijnlijk een arbeidsplaats in die ook door iemand met rechtmatig verblijf in Nederland kan worden vervuld. Daarnaast verblijft eiser weliswaar al meer dan vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft daarvan slechts vijf jaar legaal verblijf gehad. Eisers verklaring dat hij zich niet bewust is geweest van (een deel van) zijn illegale verblijf heeft hij niet onderbouwd. Eisers sociale contacten zijn in zijn voordeel meegewogen, maar kunnen vanuit het buitenland worden onderhouden en maken niet dat eiser recht heeft op bescherming van zijn privéleven. Tenslotte is op de zitting besproken dat eisers mantelzorgtaken voorafgaand aan het bestreden besluit zijn vervuld en dat daar geen sprake meer van is.
Artikel 3 van Pro het EVRM
9. Eiser stelt verder dat hij in Tunesië een ernstig risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM loopt. Hij is twee keer zonder enige reden vastgezet en afgeperst door de politie tijdens zijn laatste twee bezoeken aan Tunesië in 2022 en 2023. Hij heeft ook een document overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2022 is aangehouden. Eiser zal ook gevaar lopen als hij terug moet naar Tunesië omdat hij is verwesterd, tatoeages heeft en geen moslim meer is.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen reëel risico is op refoulement en dat er in het kader van het arrest Ararat [1] een voldoende actuele beoordeling is gemaakt. Eiser heeft zijn stellingen niet nader geconcretiseerd en de overgelegde documenten tonen niet aan dat eiser is onderworpen aan strafrechtelijke vervolging. Ter zitting heeft de minister ten aanzien van het risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM verder toegelicht dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Tunesië te maken krijgt met een evidente schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Tunesië wordt namelijk over het algemeen gezien als een veilig land van herkomst. De aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geldt echter niet ten aanzien van personen die te maken krijgen met (strafrechtelijke) vervolging, en die concreet aannemelijk kunnen maken dat de in Tunesië bestaande wettelijke waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden in hun individuele geval niet worden geboden. [2] Eiser heeft niet concreet onderbouwd dat hij zich, bij een eventuele strafrechtelijke procedure bij terugkeer naar Tunesië, niet kan beroepen op de waarborgen die de Tunesische juridische procedures kennen terwijl hij voldoende gelegenheid heeft gehad om dit te onderbouwen. Eiser heeft weliswaar een kopie van een origineel document, inclusief vertaling, overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2022 zou zijn aangehouden in Tunesië, maar dit document toont niet aan dat eiser in Tunesië geen eerlijk proces zou krijgen en daardoor zou worden behandeld in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Verder heeft eiser verklaard dat hij na 2022 nog naar Tunesië is teruggekeerd. De gestelde aanhouding in 2023 heeft eiser niet met stukken onderbouwd. Tevens heeft eiser op de zitting aangegeven dat het bij de aanhoudingen ging om afpersing. Ook heeft de minister kunnen oordelen dat eisers gestelde verwestering en tatoeages geen reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM opleveren. Zoals hiervoor is overwogen is Tunesië namelijk een veilig land van herkomst. Daarnaast ligt het in de lijn der verwachting dat een persoon zich aanpast aan de Nederlandse waarden bij een langdurig verblijf in Nederland. Verder volgt de rechtbank de minister in zijn standpunt dat voor zover eiser heeft willen aangeven dat hij vreest dat hij geen eerlijk proces zal krijgen in Tunesië en hem daardoor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM staat te wachten, dit een asielgrond betreft die nader onderzoek vergt en daarvoor is de asielprocedure de geëigende procedure. [3]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit in stand blijft.
12. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook het betaalde griffierecht krijgt eiser niet terug.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.45810:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.45812:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2024:892.
2.Paragraaf C7/1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Zie IB 2025/47 De gevolgen van het Ararat arrest voor reguliere aanvragen.