ECLI:NL:RBDHA:2026:12593
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en terugkeerbesluit wegens beëindiging partnerrelatie
Eiser, van Tunesische nationaliteit, had een verblijfsvergunning op grond van een partnerrelatie die is beëindigd. Na beëindiging van de relatie heeft de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking terecht is omdat de relatie is beëindigd en er geen sprake is van familieleven. De vraag of het privéleven van eiser bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro is beoordeeld. De rechtbank volgt de minister dat de inmenging gerechtvaardigd is vanwege het economisch belang van Nederland en het feit dat eiser slechts vijf jaar legaal in Nederland verbleef, ondanks langdurig verblijf.
Daarnaast is het risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Tunesië onderzocht. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er geen reëel risico is op onmenselijke behandeling. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen eerlijk proces zal krijgen of dat hij een concreet risico loopt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.