ECLI:NL:RBDHA:2026:12585

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL25.56833
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 SchengengrenscodeArt. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 62a Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit wegens overschrijding vrije termijn en onvoldoende middelen

De minister van Asiel en Migratie heeft op 11 november 2025 een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser, een Albanese staatsburger, met een vertrektermijn van 28 dagen vanwege overschrijding van de vrije termijn van 90 dagen in Nederland. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten omdat partijen geen zitting wensten. Eiser stelde dat de minister ten onrechte niet had onderzocht of hij de Europese Unie had verlaten en opnieuw was ingereisd, waardoor mogelijk een nieuwe vrije termijn zou zijn begonnen. De rechtbank oordeelde dat eiser dit niet aannemelijk had gemaakt en dat de minister terecht had vastgesteld dat de vrije termijn was overschreden op basis van de inreisstempel van 31 juli 2025.

Verder stelde de minister dat eiser onvoldoende middelen had om in Nederland te verblijven en terug te reizen, maar de rechtbank vond deze grond irrelevant nu het rechtmatig verblijf ontbrak. Er was geen sprake van uitzonderingssituaties die het terugkeerbesluit zouden kunnen verhinderen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat eiser de vrije termijn heeft overschreden en geen rechtmatig verblijf heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Eiser heeft de Albanese nationaliteit. Hij is op 11 november 2025 gehoord over het voornemen om aan hem een terugkeerbesluit op te leggen. Vervolgens heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit naar Albanië opgelegd, met een vertrektermijn van 28 dagen. Eiser heeft namelijk zijn vrije termijn van 90 dagen overschreden, nu zijn paspoort is voorzien van een inreisstempel van 31 juli 2025. Ook is in het terugkeerbesluit opgenomen dat eiser beschikt over onvoldoende middelen om in Nederland in zijn levensbehoeften te voorzien én terug te reizen naar Albanië, aangezien hij slechts € 382,- in zijn bezit heeft. Eiser heeft daarom geen rechtmatig verblijf in Europa. De minister heeft ten slotte geen redenen gezien om af te zien van het opleggen van het terugkeerbesluit.
Heeft de minister terecht een terugkeerbesluit opgelegd?
3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft onderzocht of hij op enig moment de Europese Unie heeft verlaten en wederom is ingereisd. Er is niet onderzocht of
of een tweede nieuwe vrije termijn is begonnen, waardoor niet duidelijk is of hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft niet betwist dat in zijn paspoort een inreisstempel staat van 31 juli 2025. Dat eiser daarna de Europese Unie heeft verlaten, heeft hij zelf niet gesteld en is ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Het proces-verbaal van het gehoor van 11 november 2025 biedt daar bovendien geen aanknopingspunten voor. De minister heeft daarom ook geen aanleiding hoeven zien om te onderzoeken of er een nieuwe vrije termijn is gaan lopen.
3.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister, gelet op de inreisstempel, terecht heeft gesteld dat eiser de vrije termijn van 90 dagen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode heeft overschreden. Dat betekent dat eiser niet rechtmatig in Nederland verbleef. Uit artikel 62 in Pro samenhang met artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) volgt dat als een vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft de minister in beginsel verplicht is een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000.
3.3.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister eiser terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Dat betekent dat de vraag of eiser voldoende middelen van bestaan had niet relevant is, zodat de daarop betrekking hebbende beroepsgrond geen bespreking meer behoeft.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.