Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
09/031429-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstal en oplegging ISD-maatregel van twee jaar

De rechtbank Den Haag heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die op 31 januari 2026 te ’s-Gravenhage meerdere dekbedovertrekken van de Hema heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte heeft het feit bekend en is niet vrijgesproken van enig ander ten laste gelegd feit.

De rechtbank heeft het bewezenverklaarde strafbaar geacht en de verdachte strafbaar verklaard. Gezien het strafblad van de verdachte, waarin meerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten in de afgelopen vijf jaar zijn opgenomen, en het reclasseringsadvies dat psychosociale en verslavingsproblematiek en een hoog recidiverisico signaleert, is besloten een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

De ISD-maatregel is opgelegd voor de maximale duur van twee jaren, waarbij de tijd die de verdachte voorafgaand aan deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet wordt afgetrokken. De maatregel is bedoeld ter bescherming van de samenleving en om de problematiek van de verdachte aan te pakken, met het oog op het voorkomen van herhaling van strafbaar gedrag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor winkeldiefstal en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/031429-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Baas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Harlequin naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 januari 2026 te ’s-Gravenhage een of meerdere dekbedovertrekken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Hema, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026035257, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 31 januari 2026 (p. 17-18);
3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 31 januari 2026
(p. 5-7).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 31 januari 2026 te ’s-Gravenhage meerdere dekbedovertrekken, die aan de Hema toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht dat aan de verdachte een ISD-maatregel voor de duur van één jaar wordt opgelegd.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die financiële schade en overlast veroorzaken. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft, zoals hij zelf ook heeft erkend, onvoldoende rekening gehouden met deze gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren vele malen voor (soortgelijke) strafbare feiten veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 31 maart 2026. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van psychosociale en verslavingsproblematiek en een hoog recidiverisico. Ook ziet de reclassering risico’s op het gebied van onder meer huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, middelengebruik en houding van de verdachte.
Uit het advies blijkt ook dat de verdachte vanaf 2019 meerdere keren is opgenomen voor forensisch klinische behandeling en dat deze opnames negatief zijn afgesloten, omdat de verdachte niet terugkeerde van onbegeleid verlof. Ook een eerder opgelegde onvoorwaardelijke ISD-maatregel werd niet succesvol afgerond en tussentijds meerdere malen onderbroken, omdat de verdachte niet was teruggekeerd van een verlof, drugs had gebruikt en na zijn vrijlating wegbleef bij de begeleide woonvorm. De reclassering ziet, gezien deze achtergrond, onvoldoende mogelijkheden om via een voorwaardelijke ISD-maatregel gedragsverandering te bewerkstelligen en adviseert bij veroordeling aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
De op te leggen ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel wordt voldaan.
Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf, dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen en maatregelen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, omdat over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank heeft, zoals hiervoor omschreven, het gemotiveerde rapport van de reclassering van 31 maart 2026 gezien over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. De reclassering adviseert om aan de verdachte de ISD-maatregel op te leggen.
Dit alles bij elkaar genomen, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen, waarbij de veiligheid van goederen in het geding is. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de psychosociale en verslavingsproblemen van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikelen:
- 38m, 38n, en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.