ECLI:NL:RBDHA:2026:12580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17016
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij asielaanvraag Iran onder besluitmoratorium

Eiser diende op 31 maart 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister vroeg Duitsland om overname, wat werd geaccepteerd, maar de overdracht vond niet tijdig plaats. Hierdoor werd Nederland per 15 november 2024 verantwoordelijk voor de aanvraag en diende de minister binnen zes maanden te beslissen.

Op 24 maart 2026 trad een besluitmoratorium in werking voor Iraanse asielaanvragen, waardoor de beslistermijn werd verlengd tot maximaal 21 maanden. De aanvraag van eiser viel onder dit moratorium, waardoor de beslistermijn verlengd werd tot 31 december 2025.

Eiser stelde de minister op 19 december 2025 in gebreke, maar dit was te vroeg omdat de verlengde termijn nog niet was verstreken. Het daaropvolgende beroep van 26 maart 2026 werd daarom door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling binnen de verlengde beslistermijn van het besluitmoratorium.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17016
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.5
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
4. Eiser heeft op 31 maart 2024 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Naar aanleiding van de aanvraag, heeft de minister op 10 mei 2024 aan de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen.6 De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 14 mei 2024. De minister diende eiser vanaf dat moment uiterlijk binnen zes maanden over te dragen.7 De minister heeft eiser daarom bij beschikking van 29 augustus 2024 schriftelijk laten weten zijn aanvraag niet in behandeling te nemen.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet tijdig aan Duitsland is overgedragen met het gevolg dat de minister per 15 november 2024 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister had dus in beginsel uiterlijk zes maanden later op de aanvraag moeten beslissen.8 Eiser heeft op 19 december 2025 de minister in gebreke gesteld en vervolgens op 26 maart 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank.
6. Eiser komt uit Iran. Met ingang van 24 maart 2026 geldt voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Iran een besluitmoratorium.9 De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.10
7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.11 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium. De maximale beslistermijn van 21 maanden begint te lopen na de ontvangst van de aanvraag op 31 maart 2024.12 Dat betekent dat de minister in dit geval diende te beslissen op 31 december 2025. Eiser heeft de minister op 19 december 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
6 Artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
7 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
8 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
9 Stcrt 2026, 11864.
10 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.
12 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.